Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens


Allochtonen (2008)


Simon de Roos had Glasha een kamer aangeboden. Ze zei dat ze nieuwsgierig was naar iemand die in haar ogen 'normaal' was. 'Normaal, dat is zoals het hoort,' had ze verklaard, maar daar was ik niet wijzer van geworden. Met een armetierige koffer vastberaden in haar hand geklemd, zag ik haar gaan.
Ik had een vaag beeld van die Simon: Hij had opgeknipt blond haar, een bleke neus met een klein deukje en blauwe ogen met korte wimpers, alsof ze geknipt waren. We hadden hem in Club S. ontmoet, onze club sinds de dag dat we op deze onheilspellende plek beland waren. Hij stond in die tijd achter de bar, was ongeveer tien mensenjaren ouder dan wij en had Glasha al veel nieuwe woorden geleerd.
'Sommige vrouwen vinden hem knap,' had Glasha gezegd. Ik wist niet wat ze daarmee bedoelde. Wat mij irriteerde was dat ze glashard tegenover Simon gelogen had.
'Jij bent zo vrij,' had ze uitgekraamd, 'en zo sociaal'. Ik had het zelf gehoord.
Ze was verbaal sterker dan ik. Ik was nog steeds een man van aanraken en doorvoelen. Ik was er echter stellig van overtuigd dat Glasha mijn nabijheid zou gaan missen. Ze zou vanzelf wel terugkomen, dacht ik.

Toen ze een paar weken weg was, ontving ik dit bericht:

Lieve Pet,
ik heb het gevoel dat Simon mij maar een gewoon meisje vindt. Hij kan mij niet goed sensen, ziet mij heel anders dan ik mijzelf het liefst zie en hoe jij mij ook kent. Hij heeft mij de kamer gegeven, dat is toch mooi?
In ruil daarvoor doe ik nu 'zijn huishouden' en help hem zo nu en dan als er gasten komen. Daarnaast heb ik alle tijd om Biologie te studeren. Dat is de studie van de geordende materie. Je snapt wel dat ik me enorm uitgedaagd voel, maar dat ik er tegelijk tegenop zie om door woorden en ideeën in bezit genomen te worden.
De werkelijkheid is een onneembare vesting, die zich niet door woorden laat vangen. Iedereen die er vat op probeert te krijgen, vangt een luchtkasteel, ieder het zijne. Wij weten dat, maar Simon doet alsof het bij studeren om heel aanzienlijke dingen gaat. Hij zegt dat alle begin moeilijk is en dat ik de 'moed' niet zo snel moet opgeven. Hij heeft me uitgelegd dat 'moed' een houding tegenover 'angst' is en dat je je daarmee sterker kunt maken. Als je geen 'angst' hebt, dan heb je ook geen 'moed' nodig. Heb jij al ontdekt wat 'angst' is?
Liefs, Glasha

Die 'normale' Simon de Roos wist vast precies wat Glasha nodig had om, zoals ze dat wenste, 'een van hen te worden'. Ik stelde me voor dat hij haar een kamer voor zichzelf gegeven had met een bed, een kast en een vlekkeloos bureau, waaraan ze ongestoord nieuwe woorden en verbanden tussen die woorden zou kunnen leren. Dat ook. Simon zou haar in de orde van zijn land onderwijzen, waarmee ze de restanten van chaos in haar hoofd zou kunnen uitbannen, ten einde een aangepast mens te worden. Het doel van 'integratie'.
Ik was er benieuwd naar of Glasha's project zou slagen. 'Haar chaos uitbannen' teneinde met de anderen mee te kunnen doen, vond ik echter een inferieure wens, die sinds we in dit land verzeild waren geraakt, zo nu en dan de kop opgestoken was. We hadden het er vaak over gehad hoe het zou zijn om 'een van hen te zijn'.
'In dit land moet je een omlijnde persoon zijn,' had Glasha uitgelegd, 'waarin anderen zich zonder al te veel voeling kunnen verplaatsen.' Ze was stellig van plan om de losse elementen waaruit ze bestond naar haar hand te zetten. 'Dingen die ik hardop zeg hebben meer invloed dan de onbeheersbare gedachten,' had ze gezegd. 'Daarom is het zaak om woorden zorgvuldig te kiezen. In dit land is het omgekeerde wereld, Pet. Voor de mensen zijn woorden echt heel erg belangrijk. Begrijp je dat? ' Ze herhaalde, resoluut: 'Begrijp je dat, Pet?'
Ze had al zoveel dingen van de nieuwe cultuur overgenomen, zoveel woorden. 'Chaos' was ook een van die woorden. Zelf zag ik de bewuste eigenschap als een bepaalde vorm van helderheid die in ons eigen land heel gebruikelijk was. Wij waren helder, de kinderen uit de ruimte. Wij, ongewild allochtonen, waren nu overgeleverd aan een wereld met een set spelregels, waarvan verondersteld werd dat wij ze begrepen. Misschien begreep Glasha ze inmiddels. 'Allochtonen' was trouwens ook zo'n woord waar ze op een dag mee was thuisgekomen. 'Wij zijn allochtonen,' had ze gezegd.
Er zijn vele wegen die naar het hart leiden,' sprak ik mijzelf 'moed' in, al waren de wegen die wij vanouds verkozen niet gebaand en waren wij tot nog toe onbekend met blikvernauwen.

Na een maand zond Glasha mij een tweede bericht:

Lieve Pet,
vooralsnog zet ik, in ruil voor mijn kamer, Simon als hij 's avonds van zijn werk thuis komt, een speciaalbier en de kaasplank voor. Dat vindt hij 'prettig', een woord dat hij te pas en te onpas gebruikt en dat zich soms uren in mijn hoofd vastzet. In het weekend bedien ik zijn gasten; meestal goed gekapte en voor mijn begrippen hip geklede vrouwen en mannen in kleurige overhemden, vaak met de bovenste knoopjes los. Alleen mensen dragen kleren, zouden onze moeders zeggen. Ken je die uitdrukking nog?
Als ik weet dat de gasten komen, duw ik met mijn vingertoppen mijn wenkbrauwen omhoog en opzij, zorg ik dat mijn wimpers als vlijmscherpe krissen omhoog krullen en verf ik mijn lippen in een bescheiden rood. Daarna doe ik met vooruitgestoken lippen en kritische blik mijn ronde door de kamer. Ik kijk of er dingen rondslingeren die beter onzichtbaar gemaakt kunnen worden en naar dingen die als blikvanger kunnen dienen. In ons land was het makkelijk leven; alles mocht, weet je nog? Het is dus wel even wennen dat je hier voortdurend keuzes moet maken.
In dit land leggen mensen hun eigen nadruk door hun spullen. Misschien is het moeilijk om het je voor te stellen, maar hier hecht men zich sterk aan de dingen. Dat komt omdat de mensen hun spullen als boodschappers zien, die iets over de bezitter vertellen. Zo vertelt de ingelijste vlecht van Simon iets over zijn verleden, over hoe avontuurlijk hij zogenaamd voor het werkende bestaan en de kledingcode was en wat er in wezen nog aan avonturiersgeest in hem besloten ligt. Dat is tenminste de suggestie. De flatscreen aan de muur vertelt dat Simon een man van deze tijd en cultuur is, die alles goed voor elkaar heeft. De bloemen die Simon iedere vrijdag van de markt meeneemt, geven aan dat het leven meer dan werken is. Dat is voor Simon een ideaal. Sommige spullen vertellen iets over de werkelijkheid, andere zijn ervoor bedoeld dromen aan de geest te ontlokken. Soms geven spullen aanleiding tot vleierij. Soms kun je ze ook beter wegzetten, omdat ze verkeerde of gevaarlijke gedachten bij de gasten oproepen. Hoe dan ook ben ik enorm opgelucht dat mensen toch ook dromen nodig blijken te hebben - anders zou ik het hier natuurlijk geen seconde uithouden. Uiteraard staan mijn spullen niet in de kamer. Ze doen mij helaas teveel aan ons leven in de ruimte terugdenken, aan vrijheid en andere onmogelijke dingen. Bovendien vindt Simon mijn spullen verdacht. Lieverd, ik leer het al aardig om mijzelf te verbergen.
Liefs, Glasha

Glasha wist precies wat Simon nodig had. Blijkbaar had ze al aardig in de peiling wat de mens bezielde.
Misschien werd ze echt 'normaal'. Wat zou er dan gebeuren? Vaak dacht ik eraan terug hoe wij vroeger dromen vingen en hoe wij door de ruimte vlinderden. Alles was spelen geweest. In ons land hadden wij elke dag nieuwe universa gebouwd, waarbij we allerlei verrassende combinaties hadden ontdekt en steeds met nieuwe ogen naar onszelf hadden leren kijken. Wij waren landgenoten. Dat zou ons voor altijd met elkaar verbinden, wist ik. Met mijn vinger streelde ik zacht het glas van de vitrinekast, die nu leeg was. Glasha had haar hele verzameling meegenomen. De tastbare herinneringen. Gelukkig kon ze mij via haar sensoren altijd berichten toesturen in een taal die ik begreep. Maar tweeënhalve maand was lang in deze wereld, alsof de liefde niet langer tijdloos was. De gedachte dat we gevangen in de tijd waren, benauwde me enorm. Alles was getunneld in deze wereld, zelfs de liefde. Tuimelde je blik een andere kant op, dan was het al snel met de liefde gedaan.

Eindelijk zond Glasha mij het derde bericht:

Lieve Pet,
misschien heb je gemerkt dat wij ons als clubleden afgemeld hebben. Simon nestelt zich, evenals het merendeel van de gasten die hier over de vloer komen, in een volgende levensfase en ik kijk nieuwsgierig van de zijlijn toe. Alles in het leven van Simon draait om orde. Zelfs zijn eigen leven deelt hij in stukjes op. De meeste twintigers hebben banen die als opstap naar 'verder' dienen. Ze kijken vooruit, zoals dat heet. Het is me nog niet helemaal duidelijk wat ze daarmee bedoelen, maar ik vermoed dat ze nu al weten waar ze naartoe willen en dat ze zich er mentaal op voorbereiden dat ze zich de komende decennia volledig aan iets zullen wijden, waarvan me de lol en de betekenis eenvoudigweg niet duidelijk zijn. Een enkele keer mopperen de gasten op hun werk, maar de meesten geven er de voorkeur aan grootse verhalen over 'de voortgang' te vertellen.
De meeste mensen hier zijn verdomd goed in tunnelen.
'Ordenen is tunnelen,' spreek ik mezelf 's morgens als ik opsta, moed in. In deze wereld moet je nu eenmaal keuzes maken. Als je verstandig bent, kies je er voor goede cijfers te halen voor je tentamens. Dat zijn soort vragenlijsten die je moet beantwoorden. Je moet alles wat je weet dan opschrijven. De docent bepaalt of je genoeg weet en of je woorden en verbanden tussen woorden met de wereldse werkelijkheid kloppen. Afhankelijk daarvan krijg je meer of minder punten toebedeeld. Die punten zijn heel belangrijk, Pet. Studenten die genoeg punten halen glimmen en anderen verbleken. Dat had je niet gedacht, hè?
Simon zei: 'Je zou je meer op je studie moeten richten en misschien een baantje zoeken. Ik kan je niet altijd zakgeld blijven geven.' Ik doe echt mijn best om consequent te tunnelen en Simon wacht geduldig het moment af dat ik de studievaardigheden automatiseer en hem in alles gelijk geef. Pas daarna zal hij mij aardig vinden, voel ik en misschien durven aan te raken. Het is een vreemde wereld, Pet, waarin aanraken niet vanzelf gaat.
'Je weet alles zo goed,' zei ik een keer tegen Simon en toen glom hij.
'Ik bedoel,' zei ik voorzichtig, 'dat ik het niet zo goed weet als jij, maar dat ik het gevoel heb dat het anders kan dan hoe jij het in je hoofd hebt.'
'Ik denk anders vrij normaal,' zei hij toen en fronste.
'Ja,' zei ik, terwijl ik een pirouette maakte en bijna wegzweefde, 'maar ík voel niet hoe dat moet.'
De glans op zijn voorhoofd verdween terstond. Zijn ogen verkrampten en hij keek mij bevreemd aan. Toen hij de krant oppakte en die zo wijds opensloeg dat hij onzichtbaar voor me werd, was mij op slag duidelijk dat het enige waar hij op wachtte een kop koffie was.
'Nog een kop koffie?' vroeg ik snel. Hij keek even om het hoekje van zijn krant en zei: 'Nou lekker.' Ik zie nog voor me hoe hij zich van het ene op het andere moment weer behaaglijk voelde. Ik denk dat ik ten aanzien van hem bevooroordeeld was, zoals ik feitelijk bevooroordeeld was tegenover alle 'normale mensen'. Langzamerhand begin ik te begrijpen dat een beperkt zicht in deze wereld 'functioneel' is. Dat betekent dat het hun geluk ten goede komt. Lieverd, soms mis ik je. Je moet een keer tegelijk met de gasten komen, op vrijdagavond. Ik kan zeggen dat je mijn vriend bent. Dan begrijpen ze het wel.
Liefs, Glasha

Vrijdagavond. Daar stond ik.
'Houd je nu maar een beetje afzijdig,' zei Glasha, 'dan kun je zien hoe ik de gasten bedien.'
'Je houdt toch van kijken en voelen,' voegde ze toe, 'nu we bij elkaar in de buurt zijn, kun je als van ouds gewoon in mijn hoofd en in mijn hart kijken.'
'Je bent nog steeds open voor me?' fluisterde ik. Ik had mijn hoofd gebogen. Glasha pakte me direct bij de kin, keek me aan met ogen als een winterhemel waar ik net niet in verdrinken kon, lachte zenuwachtig en zei: 'Natuurlijk, hoe zou het ooit anders kunnen.' Het was de eerste keer dat mij haar zenuwachtigheid opviel. Een menselijk trekje, dacht ik, een reactie op het niet helemaal thuis zijn in deze wereld, misschien ermee vergelijkbaar dat ik ten overstaan van mijn lieveling mijn hoofd gebogen had. Het waren slechte voorbodes, voelde ik en ik herinnerde me de dag waarop ze met een nieuwe uitdrukking was thuisgekomen. Misschien was dat de fatale dag geweest, waarop ze besloten had op onderzoek uit te gaan. 'Het is pet,' had ze door het huis geroepen, 'Weet je wat die woorden betekenen, Pet? Nee, geen idee, hè. Weet je, jij sluit je veel te veel op in het huis van herinnering. Je moet een keer naar buiten komen, dan zie je dat deze wereld ook zijn charme heeft. 'Niet alles is pet,' had ze gezegd, en ik had tot in de diepste kraters van mijn bestaan gevoeld dat 'pet' in deze wereld iets heel verschrikkelijks betekende, heel iets anders dan in ons land, waar de naam 'Pet' volkomen' betekende. Het was een veel voorkomende naam.

'Normaal' was, net als 'prettig', een woord afkomstig uit het vocabulaire van Simon, dat nog steeds door Glasha's hoofd speelde. Het was een woord dat voor haar betekenis kreeg in de context van haar rol van gastvrouw, daar zij in de veronderstelling was dat zowel Simon als zijn gasten 'normaal' waren. Soms keek ze de gasten onwillekeurig met grote ogen aan en als ze dat te lang deed, gleed het dienblad dat ze bij zich droeg een beetje naar links. Ze had niet alleen haar ogen wijd open. Ook haar oren stonden op gespannen, zodat ze elk gesproken woord en elke trilling op zou kunnen vangen. Toen de jonge docent communicatiekunde Hans Wagenaar over een lakse student roddelde, heeft ze het gesprek opgehouden door met onschuldige grote ogen en quasi ernstig stemgeluid, navraag naar zijn beweringen te doen. 'Maar meneer Wagenaar, misschien houdt de student waar u het over heeft, zich wel met heel andere zaken bezig. Dat weet je maar nooit. Of, heb je soms met hem gesproken, Hans, en vertelde hij u precies hoe de vork in de steel zat?' Ze sprak hem afwisselend met 'u' en 'je' aan, waarschijnlijk vanwege de spanning. In ons land bestaat dat onderscheid namelijk niet. Toen Glasha uitgesproken was, stevende ze haastig met haar dienblad op het volgende groepje af, alsof ze voelde dat ze te ver gegaan was. Het gesprek werd snel hervat en even later hoorde ik een daverend gelach. Mensen die de kunst verstonden anderen aan het lachen te maken, die hadden altijd gelijk. Je kwam gegarandeerd voor schut te staan als je hun indrukwekkende uiteenzettingen verstoorde. Dat had ik eerder op de club ook al gemerkt. Machtswellustelingen waren het die andere mensen, zonder dat zij zich ervan bewust waren, inpalmden en weer anderen uitsloten. Het wekte woede in me op, een nieuw gevoel dat me helemaal in bezit nam. Glasha voelde het op meters afstand en keek me voor een moment onthutst aan. Ik klemde mijn lippen stijf op elkaar, probeerde mijn sensoren te openen om Glasha een bericht toe te zenden, maar stelde vast dat er iets aan de hand was. Het lukte niet. Teveel kwaadaardig gevoel. Ik probeerde mezelf te kalmeren.
Gelukkig had Glasha een hoopvolle boodschap voor me, wat me hielp mijn ontregelde gevoel op te ruimen. Ze vond het net zo goed als ik onbegrijpelijk dat mensen lelijke grappen over elkaar maakten, omwille van de macht aan hun zijde. Met haar missie om normale mensen te begrijpen was ze nog niet veel opgeschoten, senste ze. Ik slaakte een zucht van verlichting. Toen haperde de communicatie opnieuw en begreep ik dat zij met gemengde gevoelens kampte. Ik probeerde opnieuw om afstand te houden en het bij kijken en voelen te laten zonder een oordeel te vellen. Het was een heel belangrijke waarde in ons land om de anderen ruimte te geven, omdat ruimte genas, en zo de anderen gezond waren -wat in ons land meestal het geval was-, hielp om gezond te blijven.
In dit buitenland was het echter veel moeilijker om niet de weg kwijt te raken en het gevoel van alleen-zijn te onderdrukken. Het gevoel van verlatenheid was het ergste dat ik ooit had meegemaakt. Gelukkig ebde het langzaam weg toen ik meer ruimte in mijn hart toeliet. Toen kreeg ik oog en oor voor de discussie die zich aan de zijlijn van het gezelschap afspeelde. Ik strekte mijn sensoren tot een maximum uit om niets te missen.

'Als het maar werkt, ' zei Simon. En: 'Als je je aanpast, dan zul je zien dat dat werkt.'
'Ik weet niet hoelang ik het nog volhoud, mij aan te passen,' zei Glasha zo aardig mogelijk tegen Simon. Het flitste door mij heen dat Simon haar nooit aanraakte en nooit op een speciale onderzoekende manier naar haar keek.
'Je moet gewoon wennen. Dat is normaal,' zei Simon.
'Je hebt het al vaak gezegd en zegt het erg nadrukkelijk,' zei Glasha. Geen antwoord. Zij raakte Simon ook nooit aan, maar dat was niet omdat ze geen toenadering gezocht had, voelde ik.
'Als ik op mijn allereerlijkst ben, dan moet ik zeggen dat ik onwillig ben om te wennen en dat ik hoop dat ik nooit wen.' Glasha rilde. Ze was 'bang', een typisch woord van deze wereld. Het sensloze bestaan waarin vaste ideeën heersten, viel tegen. Ik voelde dat Glasha er doodmoe van werd, terwijl ze van aanraking juist energie kreeg. Dat wist ik uit ervaring. Met aanrakingen bevestigde je elkaar zonder meer, wat zich ook allemaal in het hoofd afspeelde. Als je je tegen elkaar aan vleide, was alles goed. Mijn hart sprong op van vreugde. Ze miste mij, Glasha, dat kon niet anders. Ze miste mijn aanrakingen, het samen één zijn.
'Jij bent gek,' hoorde ik Simon zeggen en ik spitste mijn sensoren.
'Inderdaad,' stamelde Glasha. Haar hele lijf schokte nu. Dat hij dat aardverdomme niet eerder ontdekt had, die labbo en dat hij nu hij het wel wist, er waarde aan hechtte. De communicatie haperde. Glasha's kwade gevoel werd te sterk. Ik kwam een paar stappen dichterbij, zodat ik de gesproken woorden in ieder geval kon verstaan, zodat ik niet alles zou missen. 'Misschien moet je naar de inburgeringscursus,' zei Simon tegen Glasha. Ik voelde dat Glasha hem niet helemaal begreep. En ik ook niet.
'Ikk b ben g geen, weet niet..,' stotterde Glasha verward tegen Simon, terwijl ik zag dat ze haar hand intuïtief maar schokkerig in de richting van zijn hoofd bewoog om door zijn haar te strijken. Ze zag lijkbleek, keek met een argwanende blik in zijn richting en lachte toen dubbelzinnig naar hem. Waarschijnlijk voelde ze zich verlegen met de zaak en tegelijk brutaal, lief en tegelijk boos, chaotisch en helder. Ik voelde het duizelen. Gemengde gevoelens kwamen veel voor in deze wereld, veel vaker dan in ons land. Van afstand gezien was dat komisch, maar ook droevig om te zien. Het haalde alle contact onderuit en mankeerde het sensen.
'Jij, jij bent in ieder geval in staat om een geheel van je leven te maken. Dat vind ik een groot wonder. Ja, dat vind ik werkelijk fantastisch,' hoorde ik Glasha nog tegen Simon zeggen, en waarschijnlijk vond ze dat ook, hoewel ze het niet helemaal kon overbrengen. 'Je moet niet zo met me spotten,' zei Simon kort. 'Spotten', een nieuw woord, dat wij geen van beiden begrepen. Houd me vast, aardverdomme, senste Glasha met een brok in de keel in de richting van Simon, maar hij schonk juist zijn glas vol en had zijn hoofd van haar afgewend. Raak me aan, smeekte ze Simon in gedachten. Zoek me. Vind me. Het klopte gewoon niet. Ze hoorde bij mij, Glasha.
Houd mij vast, senste ik wanhopig vanuit de kraters van mijn hart, lieveling, het is hier verdomd alleen.
Ruis. De boodschap kwam niet goed over. Ik wilde haar te veel bezitten. Dat mocht niet. Hoe flexibel je in dit land wel niet moet zijn om de ruimte in je hart te bewaren. Het maakte me woedend. Met wankele stappen kwam Glasha naar me toe. Diep in haar ogen zag ik donkere kraters liggen. Aards alleen, meende ik van haar gewaar te worden. Er rolde een glasheldere druppel vocht uit haar oog over haar wang die ik, als ik nog open voor haar geweest zou zijn, voorzichtig met mijn lippen weg gezogen zou hebben. 'Missie voltooid' doorvoelde ik, terwijl ik zag hoe het dienblad dat ze nog steeds bij zich droeg, steeds meer naar links overhelde. Toen viel het kletterend op de grond.