Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens


Fragmenten uit Meewaaien (oktober 2016)


De fragmenten zijn bedoeld om mensen te laten proeven, niet om een totaalbeeld van de roman, met de voorlopige titel Meewaaien, te geven. Het boek is dik, er staat veel in, er lopen verschillende typen personages in rond, van wie de betekenis voorlopig nog in het duister moet blijven. De roman wil onder anderen iets van de caleidoscopische wereld waarin we leven laten zien. Zo ook de fragmenten, hoewel ze slechts een tipje van de sluier oplichten. Ik heb er voor gekozen om niet iets van de kern eruit te pikken en de stukken waar ik het meest aan verknocht ben nog niet openbaar te maken. Belangrijke personages zoals Vincent Schorpioen, Lucian Dekort en Levi (die nog steeds geen achternaam heeft) komen niet aan de orde. Ook de gezinssituatie, die toch de basis van het boek vormt, laat ik achterwege.

Fragmenten uit Deel 1 'Het meisje in de koffer'


Klas 6

Als September klaar met haar sommen was, ging ze met haar armen strak over elkaar zitten. Onbeschaamd observeerde ze het groepje waar Carmen nu ook bij hoorde. Bowina en Tooske schreven geheime briefjes naar de jongens, giebelden als de meester even op de gang was om iets op te halen en keken elkaar steeds aan. Sinds de verhuizing van Brecht probeerde Carmen met hun mee te doen. September ergerde zich aan haar melige gedrag. En wat er precies leuk aan de jongens was wist zij als de beste. Ze was de enige van alle meisjes die wist dat stoeien met een jongen warm was. En het was niet voor niets dat ze zo goed kon rekenen. De laatste tijd schiep ze er behagen in het groepje slimme jongens voor te zijn, vooral Bert Kroon. Het spel, waarbij iedereen zoveel mogelijk woorden uit de letters van een groot woord moesten samenstellen, vond ze het mooiste. Steeds weer wachtte ze op de verwrongen grimas op het gezicht van Bert Kroon als zij won. Met die teleurstelling op zijn gezicht leek hij net een oud mannetje. September keek vaak naar hem, ook al had hij vreemd dun haar en hoorde hij niet bij de echt leuken. Hij was eerder wereldvreemd. Bob en Elke hadden plannen voor de toekomst. Ze stelden zich voor dat ze iets voor anderen konden betekenen. Bert niet, hij wilde alleen maar grip. En Marie? Misschien wilde die juist ongrijpbaar blijven. Al hadden ze geen contact met elkaar, misschien leek September het meest op haar. Ze zonderden zich elk op hun eigen manier af. En soms, als hun blikken zich onverwachts in elkaar haakten, keken ze snel weg. Je kunt nu eenmaal niet toeschouwer en kijkobject tegelijk zijn. Voyeurs zijn altijd stiekem. Schimmen, die niet thuis zijn in het alledaagse. Ze verzamelen indrukken, maken zich los en drijven vanzelf weg. Ze creëren een vloeibare wereld, een zee van gedachten, waarin tal van beelden dartel rondzwemmen. Soms trekken ze een conclusie, grijpen zich vast aan één van hun waarnemingen. Meer dan eens verdrinken ze in een onbestemd verlangen.


Muziek

Niet alleen mensen veranderen, ook dingen en ruimtes krijgen steeds een ander gezicht, een andere glans. Toen September de stofzuiger verderop in de garage had gezet en vanuit de deur naar de oude werkplaats keek, klopte haar hart wild in haar keel. De ochtendzon, die zo dadelijk achter de huizen zou verdwijnen, scheen nog net naar binnen. Een warme tocht beroerde de stofdeeltjes in de lucht, die weldra niet meer zichtbaar zouden zijn. Dit was haar domein, een plek die aan oude geesten toebehoorde, waar geen fatsoenlijk mens iets te zoeken had. Ze knipte de lamp aan om goed zicht op de pick-up te hebben, klom op de werktafel en begon het deksel uiterst voorzichtig met een zachte doek af te nemen. De binnenkant vroeg om nog meer precisie. Het was een heel karwei om het oude apparaat stofvrij te krijgen. Tot slot ging ze er in kleermakerszit voor zitten en haalde het kleine hendeltje over. De schoonheid van de arm van de pick-up die zonder enige aarzeling omhoog ging en boven de elpee schoof verraste haar. De naald zakte en de elpee begon te draaien. De violen zetten onverwachts triomfantelijk in alsof er van een groot feest sprake was — een beetje te laat zag ze voor zich hoe de dirigent het muziekstuk aankondigde en het publiek met een sierlijke buiging begroette. Op het eenstemmige geluid van de violen zweefde een groep dansers in losse allesbedekkende Jozefmantels als een wind over het podium heen en weer om achter een rood gordijn te verdwijnen. De bassen lieten haar proeven van de diepste diepte van de zee door hun zware melancholische tonen en daarna begonnen de altviolen als feeën te golven. Geraakt door het tere geluid van een klarinet en verbaasd over de meerstemmigheid van de muziek bleef September met gespitste oren op tafel zitten. De elpee draaide als vanouds zijn rondjes en de muziek drukte alles behalve onmacht uit. Werd steeds krachtiger, sneller, uitbundiger, tot het moment dat ze de vrolijkheid nauwelijks meer aankon, haar misselijk maakte van pure opwinding. Na de dwarsfluit en even later de hobo barstte het orkest opnieuw in een uitzinnig gejubel uit en was ze geneigd de muziek uit te zetten. In plaats daarvan sloot ze haar ogen en liet de tranen stromen.


Een kind van zijn tijd

Hugo had zelf ook wel eens zelfmoord overwogen, meer dan eens zelfs, maar dat ging om momenten van verstandsverbijstering, die iedereen misschien wel eens had. Wat had hij Lucian veel te vertellen en te vragen en wat zou het goed zijn als zijn oude vriend hem nog eens flink zou uitlachen. Hij realiseerde zich nu dat hij vergeten was om pijp te roken, glimlachte om zichzelf en zette de map weer in de kast. Hoe laat was het? Het was nu tenminste rustig (in de klas), dat was al heel wat. Misschien kwam zijn verwarring door het ijle geluid van altviolen van een hem onbekend muziekstuk. Hij slikte, want hij wist heel goed dat het bergafwaarts met hem ging en dat hij niet meer samenviel met de rol van leraar, dat hij zelf behoefte aan een meester had. De witte muren van zijn huis. De leegte die overgebleven was nadat hij een groot deel van het meubilair bij het grofvuil gezet had. De van oerkracht zinderende drippings van Jackson Pollock. De hypnotiserende kleurvlakken van Rothko. De kinderlijk-poëtische kunst van Cy Twombly. Honderd jaar stilte. Hij was vertrouwd met de kakofonie van geluiden in de openbare ruimte en met de opdringerige beelden van de media, een kind van zijn tijd, maar hij hield het niet meer vol. Zijn hoofd liep over van tegenstrijdigheden. Een storm joeg hem op, hij had geen samenhangend idee meer over wie hij zelf was en waartoe... vooral dat. Nog even dan zou hij een hamer van het rek nemen om de rinkelende muur van toeters en bellen die hij als een kleed om zich heen getrokken had, en waar hij vroeger zo goed mee kon rinkelen, als een ei kapot te slaan. Achter de restanten van de uitrusting waarachter hij zich verborg ging een ongrijpbare ziel schuil, een vogel die met elke stap veren verloor en kaler werd. Vleugellam besloot hij. Hé, Hugo, let eens op!, riep iemand. Was het tijd? Of vergiste hij zich? Uit hoeveel stemmen bestond hij? Uit hoeveel fragmenten een mens?


De waarschuwing

Haar moeder trok haar gezicht in de plooi, maar haar mondhoek trilde onophoudelijk. Ze hield haar bestek rechtop in gebalde vuisten vast, alsof ze de macht over haar motoriek verloren had, en staarde haar dochter met grote ogen aan. "Je kunt niet zomaar bij een overspannen man op bezoek gaan... zo iemand moet je met rust laten," zei ze. "Hij is heus niet voor niets de school uitgezet." Ze liep naar de keuken en kwam terug met de pakken yoghurt en vla. "Luister, er zijn veel dingen, waarmee je jezelf kan bederven. Het minste wat je kan overkomen is dat iets anders bezit van je neemt, zodat je zelf niet meer objectief kan oordelen. Geesten zijn gewichtsloos, zelfs de Tijdgeest. Hij bespringt je zonder dat je het merkt. Hij sluipt door de poriën van je huid naar binnen, dan neemt hij de hiaten van je wil als sluipweg naar je hart. Je voelt zijn aanwezigheid pas als hij je helemaal doordrongen heeft. Dan wordt alles opeens zwaar en ingewikkeld. Ofwel: een mens is beïnvloedbaar, en vooral kinderen en jonge mensen." Dorien richtte zich nu tot September: "Ik weet niet wat je allemaal uitspookt in het atelier, maar ik maak me zorgen... om jou ja, is dat nieuw voor je? Luister, ik ken Hugo Droste... ik waarschuw je, vermijd die man... hij is lauw, zoekt altijd een middenweg tussen het één en het ander, past zich aan... zo iemand die met alle winden meewaait ontbreekt het volstrekt aan visie."


Fragmenten uit Deel 2 'Witte vogels'


Aanrakingen

"Je bent zo gesloten, echt zo'n denker, zo'n vage studiebol," zei Stella met een zweem tederheid door haar stem. "Misschien heb je er iets aan, als ik je openmaak." September zat als een beeld zo stil. Na een tijdje zei Stella: "De sleutel is aanraken, ja? Veel vrouwen worden te weinig aangeraakt... vooral vrouwen... ik zal het voorzichtig bij je doen." Ze gebaarde September op te staan en spreidde een groot badlaken over de bank uit. "Komt u maar!" Voordat September het wist lag ze op haar buik en voelde ze Madre Stella's krachtige handen over haar rug glijden. "Schoktherapie," zei Stella. Ze vergat al snel haar belofte voorzichtig te zijn en trok al Septembers spieren los. "Je kan je truitje beter uitdoen," vleide ze, "dan gaat het veel gemakkelijker." September stelde zich voor dat ze in een Romeins badhuis te gast was. In de oude tijd was massage heel normaal. Misschien niet onder vrouwen, maar in ieder geval wel onder mannen. Ze liet Stella begaan. De Madre pakte een flesje en ze voelde een paar druppels olie tussen haar schouderbladen vallen. "Patchouli-olie, aardser kan niet," zei Stella. Ze masseerde Septembers rug en daarna haar schouders en armen. Stella trok Septembers benen voorzichtig uit elkaar en kneedde het bovenbeenvet zodanig dat het overal in haar lichaam tintelde. Toen het haar te veel werd, dook September in een onverwachte beweging, als in een soort stuip, in elkaar en bleef verkrampt, met haar gezicht half in een oranje kussen gedrukt, als een dropjojo liggen.


De scherf

"Daar helder en nadenkend communiceren een belangrijk onderdeel van de studie is, zit je mogelijk niet bij de juiste faculteit," beweerde de decaan in het gesprek, dat hij geregeld had, nadat een collega in het geniep zijn beklag over September Dekort gedaan had, 'omdat ze met haar deconstructivistische gelijk voortdurend roet in het eten gooide'. September deinsde een stap achteruit. Sinds ze studeerde besefte ze steeds weer dat het onmogelijk was om vrij van invloeden na te denken. Ze had een uniek, maar ziek brein, dat net als elk ander brein, van jongs af aan stelselmatig met ideeën bezoedeld was. Als ze dan anderen nodig had om haar zicht te verbeteren, dan toch zeker een dokter met veel relativeringsvermogen. Bij voorkeur een dokter met een blik die het hele universum overzag. God dus. Een lach ontschoot haar. "Waarom lach je?"
"Ik voel me ziek."
"Ga zitten," gebaarde de man, terwijl hij over zijn adamsappel streek.
Ze nam plaats op het randje van de stoel.
"Ik denk dat u gelijk heeft, ik maak een potje van mijn studie," zei ze onderkoeld. Ze sloeg haar ogen theatraal neer. Ze zag nu dat hij zweetplekken onder zijn oksels had. De Wilde heette hij. Samuel de Wilde.
"Vertel... "
"Ik ben net zo serieus of net zo weinig serieus als de andere studenten, maar dat wordt niet zo opgevat, omdat ik vaak net even anders over dingen denk," zei ze, terwijl ze zachtjes in de scherf van het Chinese vaasje, die van de ene naar de andere broekzak verhuisde, kneep.
Iets in haar kwam in opstand, maar wat? Waartegen? Waarom? Het kwam bepaald niet van pas. Was de scherf een soort orakel dat haar antwoord kon geven? Kneep ze in de scherf omdat ze glashard loog? Omdat ze wel wist dat ze zich feitelijk nooit op de colleges voorbereidde, dat ze maar een leesbange beuzelhaas was, iemand die maar wat experimenteerde om op een dag op de heilige graal te stuiten? Wat wist die godsgruwelijke decaan eigenlijk van haar?
"Je domineert de groep, niet tijdens de hoorcolleges, maar tijdens de discussies — anderen hebben daar last van en hebben dan geen reden om je serieus te nemen."
Weer kneep September in de scherf; ze voelde hoe een punt door de dunne huid van haar hand joeg. De warmte van haar bloed verzachtte de pijn onmiddellijk. Het gaf haar een gevoel van opwinding. Ze herhaalde zichzelf nu, maar met een vriendelijker stemgeluid, omgeven door een wolkje sentiment: "Ik denk dat u gelijk heeft. De studie biedt geen oplossing voor mij, maar wat dan wel? Weet u het?"


Alec

Ze danste pal onder de discobol. Het ritme dreunde in haar buik. Een jongeman, hip á la Robert. Hipper, kleuriger, beweeglijker. Hij had warrig donkerbruin haar dat gedeeltelijk in een soort kuif over zijn voorhoofd viel en lichtbruine ogen die iets te dichtbij zijn neus stonden, waardoor hij iets kwetsbaars en tegelijk iets grappigs uitstraalde. "Alec," danste een stem. Een val naar beneden. Iets klikte tussen hen. Hij droeg een vermiljoenkleurig vintagejasje en een Huckel-herenhoed, die hij tijdens het dansen nonchalant om de leuning van een stoel hing. Boven een modieus driedagenbaardje lag een zachtroze mond die dun werd, toen hij naar haar glimlachte.
"Alec Silverstone."
Door de hoed deed hij September aan Robert Nawee denken, met dit verschil dat Alec Silverstone het ding afzette, geen wiebelnek met bijbehorende problematiek had en zich er ook niet van bewust was dat hij iets uiigs over zich had. Ze voelde zich verbolgen. Gekrenkt. Nooit zou ze Robert Nawee terugzien, tenzij... je wist maar nooit.
De roes. Ze richtte haar energie. Gaf zich over. Ze dansten op Billy Jean (is not my lover). Op het snelle Maniac raakten hun lichamen elkaar. Ze wist niet waar Alec vandaan kwam. Ze drukte haar lijf tegen het zijne. Hij duwde haar ferm van zich af, maakte een drollige grimas en trok haar alsnog naar zich toe. Ze had een lijf nodig. Het was dwingend. Hij trok haar nu aan haar hand mee naar de rand van het dansgezelschap. Hij was zacht zwingend haar voor haar, omringd door kleuren. Hij was sensuele lippen, een Jake Gyllenhaal.
Afgezonderd, bij de deur. Zijn blik boorde zich in haar. Een schok. Ze deinsde achteruit en bood hem aan om in de tuin een sigaret te roken. De onwaarschijnlijke ontmoeting tussen hen schrijnde als een open wond die direct bepleisterd moest worden. Nog eens keken ze elkaar van ziel tot ziel aan. Zij waren één en hetzelfde en tegelijk mijlen van elkaar verwijderd. Vreemden van elkaar. De hypnose brak. Ze zwalkten door het gezelschap naar de rokershoek in de tuin en dronken hun wijn ad fundum. Ze rookten, licht hijgend, wel twee sigaretten achter elkaar. Ze zwegen, maar vijf minuten later was de stemming volledig omgedraaid, maakten ze allerlei grappen en lachten ze zich rot.


Berkenhof

De bus is weer precies op tijd, zei de donkere jongen met het opvallend witte gebit. Hoe laat het was, wist ze niet. Werktuigelijk glimlachte ze naar een kleine vrouw met diepe groeven in haar voorhoofd en verwaaid wit haar, die ze tot dan toe niet gezien had. In één beweging tilde September haar rollator de trap op, de bus in. Een flits, toen ze even omkeek om te zien of de oude vrouw nog in staat was in de bus te klimmen. Een netwerk van lichtwegen in het spiegelende glas van het bushokje. Ze liet haar kaart aan de chauffeur zien, liep naar achteren en ging enkele rijen achter de jongen met de sporttas en het stralend witte gebit zitten — hij glimlachte naar haar en dat vond ze fijn. Net toen de bus begon te rijden zag ze in het glas van het in licht doordrenkte bushokje bloemvormige fractals met stampers en meeldraden die alle kanten op wezen en zich exponentieel vermenigvuldigden. Zich eindeloos vertakkend en verkleinend zoals bij het werk van Escher, deed het beeld haar aan een behang of een keukenvloer denken. Alles leek vast te staan in deze doolhoven van onderdelen, die zich als de raderen van een goed geoliede machine in elkaar haakten, alles leek maar één kant op te kunnen gaan. Zelfs al liet een mens zich nog zo zeer door toeval leiden en was zijn brein stuurloos, dan nog zou er geen mus van het dak vallen zonder de wil van God. De regen hield net even op toen ze bij Berkenhof aankwam — de gezonde jongen was al twee haltes eerder uitgestapt, toen het water nog met bakken uit de hemel kwam. Samen met twee andere passagiers, die eruit zagen alsof ze de polikliniek zouden bezoeken, zette September voet aan wal, waarbij een warme damp in haar gezicht sloeg. Ze keek hen na; een norse in zichzelf gekeerde man met een brede kaak en ongekamd grijsbruin haar in een lange regenjas en een bleek meisje met lang zwart sluik haar en een piercing in haar lip, dat naar musk rook en dat haar bij het uitstappen schichtig aangekeken had. Het regenwater droop ritselend door de struiken op de grond en verzamelde zich in een paar geulen. In de verte vervaagde een regenboog. Een paar vogels kwetterden blij. Ergens verbaasde het September dat het nog maar de tweede keer was dat haar voeten het grindpad tussen de druipende berkenbomen naar het bruine gebouw volgden. Ze vonden vanzelf de weg, alsof ze hier veel vaker geweest was.


Guusje

Guusje was niet altijd spraakzaam, alleen als ze zich compleet veilig voelde kwamen er woorden. Alleen dan kon ze scherp zijn. Als het zo ver was sprak ze in mooie zinnen, waar September van hield, maar ze was vaker stil. Als September na een dag door mensenlevens gereisd te hebben, haar kamer binnenstapte, overviel haar steeds vaker een gevoel van droefheid. Guusje lag steevast roerloos op haar bed en zij stond daar dan, stil en onthand, alsof er kortsluiting in haar had plaatsgevonden. Misschien wachtte ze op het moment dat Guusje zich zou omdraaien en zou gaan spreken. Dat ze haar zou uitleggen waarom ze zo dood als een beeld op haar bed lag en zich voor haar verborg. En vooral ook wenste ze dat de psychologie-studente haar nog eens zou vertellen over haarzelf, dat ze haar zou verklaren waarom ze die dag alweer gespeeld had dat ze een vloeibare machine was, die op de automatische piloot systemen organiseerde, opruimde en smeerde. Waarom ze als een machteloos werktuig voortdurend in de spagaat gleed voor mensen, die niet meer in staat waren om te veranderen, voor halve doden eigenlijk. Vanwaar die lenigheid van geest, het eeuwigdurend gekronkel door vastgeroeste systemen? Guusje Pluusje draaide zich nooit uit zichzelf om, maar wachtte tot September in eenzelfde S-bocht op ongeveer tien centimeter afstand naast haar kwam liggen, met het gezicht naar haar achterhoofd, de buik naar haar rug, het kruis naar de nauwelijks zichtbare rondingen van haar kont. Vaak ging September eerst moedeloos tegen de verwarming zitten, dronk ze koffie en rookte een sigaret, voordat ze dichterbij durfde te komen. Een keer, toen het zweet haar bij binnenkomst spontaan uitbrak, ging ze zelfs eerst naar de winkel. Toen had Guusje zich wel langer dan een half uur dood gehouden.