Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens


De held (2009)


'Je moet je douchen,' zei Marloes, 'Je stinkt,' Vertwijfeld keek ik van haar bepoederde wangen naar omlaag op mijn horloge. Het was gewoon maandag, kwart voor vijf. Richard, mijn boezemvriend kwam elke maandagavond bij ons eten. 'Huisvriend,' noemde Marloes hem. Ze droeg een korte asymmetrische rok die haar linkerdij bloot liet.
Hoewel het zweet nog in mijn haar stond, was ik doodkalm.

Een paar uur geleden hadden de doodgravers het kistje in het zwarte gat laten wegzakken. Een vrouw met slordig haar had luidkeels geschreeuwd. Een kaalhoofdige man in een lange grijze regenjas had haar bij de arm gegrepen en haar ruw naar zich toegetrokken.
Ik stond bij het hek. Ik maakte deel uit van de tragedie en toch was ik buitengesloten. Toen de moeder het uitschreeuwde, ben ik er in een opwelling vandoor gegaan. Met een bonzend hart ben ik langs mijn sportwagen het bos in gerend, naar het boomhuis van lang geleden met wortels als palen en takken als een netwerk van paden. Het was de plek waar Richard en ik op veertienjarige leeftijd een verbond gesloten hadden en waar wij een kistje met onze meest waardevolle spullen ritueel begraven hadden. Een ander kistje.
Toen ik na enige tijd terug bij mijn auto was, was ik klaar om met het zakmes dat in mijn broekzak hoorde te zitten de autobanden van de rijke stinkerd die ik zelf geworden was met bruut geweld lek te steken- zoals wij, Richard en ik, dat vroeger deden. Het was precies dezelfde auto als van voor het fatale ongeluk en even vlekkeloos. Ik deed niets.
Ik zag slechts de wijd opengesperde ogen van de moeder en het dikke bruine haar dat ze woest wegsloeg, scherp voor me en herinnerde me haar hals die zich maximaal uitstrekte toen de paniekschreeuw haar ontsnapte. Ze heet Jeanet Prins en woont aan Kapiteinlaan 16. Dat heb ik een paar dagen geleden in de krant gelezen. Maar wat meer is: Ze heeft het kind in me wakker geschud. Het kind dat er als ridder op uit wil trekken om zichzelf op de proef te stellen om laat in de avond als held terug te keren.

Half zeven. We eten witlof. Met een lange neus ga ik aan tafel zitten. Richard zit schuin tegenover me en Marloes naast me. Vanuit mijn ooghoek zie ik haar blote dij. Dan kijk ik naar Richard. Hij heeft zijn baard een paar dagen laten staan. Drie dagen om precies te zijn. Dat moet wel, aangezien het driedaagse baardje in de mode is. Dat betekent dat hij zich vrijdag al met voorbedachten rade niet geschoren heeft.
Als Marloes de ovenschotel op tafel zet, begin ik zenuwachtig met mijn voeten te wiebelen. Richard fronst daarop zijn wenkbrauwen en op dat moment herinner ik me de wiebeltic waar ik eens zoveel moeite voor gedaan had om ervan af te komen.
'Scheize!' zeg ik, 'Ik lust geen witlof.' Marloes buigt haar hoofd naar mij toe en staart mij verbaasd aan. Ik kijk van haar zwarte wimpers verlegen naar omlaag, zie dan de kralenketting aan haar hals bungelen en laat me door de beweging van de glinsterende balletjes hypnotiseren. Ze zijn zo mooi als ik opeens verlegen ben. Even denk ik terug aan de strijd die ik destijds gevoerd heb om mijn verlegenheid te overwinnen.
'Hou je ogen eens stil,' zegt Marloes geïrriteerd, en tegen Richard, 'Ik kan er echt niet tegen als hij scheel kijkt. Gek word ik ervan.'
Ik trommel even met mijn vingers op het tafelblad. Marloes tuit haar lippen bedenkelijk. 'Er is iets mis met hem vandaag,' zegt ze stellig. Met een doffe dreun valt mijn vuist op de tafel naast mijn bord, zodat alles trilt. 'Je moet wel wat eten,' zegt Marloes lijzig, 'Je bent anders trouwens dol op witlof.'
'Hij lust geen witlof,' zegt ze tegen Richard, terwijl ze rolletjes witlof opschept, 'Weer wat nieuws.' Even denk ik terug aan de wanhoopspogingen van mijn moeder om me witlof te laten eten, spruitjes, rabarber, alles wat vreemd was. Ik zie dat Marloes heimelijk naar Richard glimlacht en denk terug aan het verbond dat hij en ik destijds gesloten hadden. Ik vraag me af hoelang een verbond geldig is en of er ook speciale regels voor kinderbeloften gelden. Zou Richard het nog weten van het bloed, de brief en het vuur? We wilden stiekem kinderen blijven, op een manier dat niemand het aan ons kon zien, maar hij ziet er vandaag wel erg volwassen uit met zijn afgemeten baardje. Zijn blik licht alleen op als hij merkt dat Marloes naar hem kijkt, alsof zij zijn grootste avontuur is.
Dan zie ik dat hij even met zijn hand over die van Marloes strijkt. Het lijkt wel alsof ik vandaag alles zie waar ik normaal gesproken blind voor ben. Met holle stem zegt hij: 'Marloesje, wat heb jij toch weer lekker gekookt, vandaag.'
Als Richard eindelijk weg is en wij alleen zijn, weet ik niet wat ik moet doen. Marloes, met haar billen tegen het tafelblad en haar benen op iets breder dan heupwijdte, kijkt schuin door haar uitgerekte wimpers op mij neer, terwijl ik als aan de grond genageld sta. Het duurt maar even, maar lang genoeg voor mij om met mijn benen te gaan wiebelen en een pruillip te trekken. Dan kijkt Marloes snel een andere kant op. Ik hoop dat ze om me lacht, maar denk eerder dat ze zich geneert. Ze schaamt zich altijd als er een hulpeloos gebaar aan me ontsnapt. Als dat het geval weer eens is, piep ik er zonder iets te zeggen tussen uit. Vroeger liep ze me nog achterna als ik plotseling verdween, maar nu neemt ze de moeite er niet meer voor. Dan moet ik maar welterusten zeggen, vindt ze. Boven op de slaapkamer. Ver voor twaalven. Het opgemaakte bed. Ik stroop mijn kleren als een tweede huid van mij af en laat ze als een slangenvel onverschillig van me afvallen. In bed. Het nachtlampje nog aan. In de schaduwen op de muur zie ik de monsters die ik als kleuter al bedacht heb. Ze grijpen me naar de keel. Een auto. Hij toetert luid. Een doffe klap. Het kind. De brokstukken. Ik speel dat ik duizelig ben. Ik ben zieliger dan ik dacht.
Als ik de volgende morgen om vijf uur wakker word, kan ik niet meer slapen. Ik draai van links naar rechts en kijk tussendoor bevreemd naar het kale gebergte van Marloes' rug. Ze ligt doodstil in foetushouding met haar ruggengraat in een boog naar me toe en ademt rustig. Even hangt mijn hand als een wolk boven de oase van haar ronde schouder, maar dan besluit ik haar niet aan te raken en schuif mijzelf voorzichtig uit bed. In de schemering zie ik dat Marloes mijn kleren netjes op de stoel gelegd heeft. Ik schiet erin alsof ik haast heb. Beneden in de keuken prop ik een boterham met Calvé- pindakaas naar binnen. Dan sta ik al buiten, met mijn rode ski-jack aan.
Ik verbeeld me dat ik overal krantenjongens zie lopen, die er net als ik tussenuit gepiept zijn. Dat ik toen ik zo oud was, zoveel discipline aan de dag had gelegd om midden in de nacht kranten te lopen, verbaast me. Nu loop ik met mijn keurige ski-jack aan als een verdwaasde sul door de lege straten en heb geen doel. Verlegen begroet ik de jongen die de ochtendkrant komt brengen. Misschien dat hij ook een link gelegd heeft tussen geld en vrijheid. Hij ziet er stoer uit in zijn leren jas. Aan de horizon doemen de eerste flarden licht op. Een dunne baan licht reikt tot over het kruispunt. Even laat ik mij door het raadselachtige licht hypnotiseren. De Kapiteinlaan is dichtbij. Twee blokken verder, vlakbij het bos en de begraafplaats. Alles is dichtbij.

Ik stel me voor dat Jeanet begin veertig is. Zes jaar ouder dan Marloes en drie jaar ouder dan ik. Maar Marloes wil geen kinderen, in ieder geval niet van mij. Omdat ze er niet alleen voor wil opdraaien, had ze een keer gezegd en daarna hadden we het er nooit meer over gehad. Ik stel me voor dat Jeanet al te oud is om een nieuw kind te maken. Je kunt misschien verwachten dat een vrouw na zo'n rampzalige gebeurtenis uit verwarring de pil wel eens vergeet, maar meer nog dat ze geen zin meer in seks heeft. Bij de begraafplaats. Op dezelfde plek als gisteren sta ik met mijn vingers krampachtig om de spijlen van het hek. Mijn neus ertussen en blik op oneindig.
Plotseling zie ik iets bewegen. Ongeveer tweehonderd meter van mij vandaan. Een paar vogels vliegen op. Een schaduw. De kleur bruin schiet als een pijl voorbij. Schutkleur. Ik klem mijn vingers stevig om de spijlen heen. Mijn knokkels lichten wit met rood op. Ik druk mij tegen de spijlen aan zodat er strepen op mijn wangen ontstaan en voel me kinderlijk opgewonden. Met samengeknepen ogen tuur ik over de begraafplaats. Een treurwilg staat krampachtig over een groepje graven gebogen, zijn monumentale takken hangen breed uit, als een netwerk van oeroude Romeinse wegen die geen bestemming meer hebben. De rechthoekige grijze stenen liggen er roerloos bij. Hier en daar staat een bos bloemen. Een kindergraf is nog onbedekt. In de modder om het graf staan de slordige voetstappen als bewijs dat er veel mensen geweest waren. Wellicht slapen ze op dit tijdstip met hun onaangetaste lichamen tussen parelwitte lakens als mensen die voor een nacht opgebaard liggen.
Behalve Jeanet dan natuurlijk, omdat een wanhoopsschreeuw nog lange tijd naklinkt en je tot in al je vezels laat voelen wat het betekent dat je maar gedeeltelijk leeft. Jeanet werd er vast door uit de slaap gehouden en kon zich met ingang van het rampzalige ongeluk natuurlijk niet meer op de dingen van alledag concentreren. En hoewel ze, net als ik, wel van slag moest zijn, realiseerde ze zich misschien ook voor het eerst van haar leven dat de dood altijd in aantocht is.
Er beweegt weer iets. Ik klem mijn handen nog steviger om de spijlen en pers mijn ogen bijna uit mijn oogkassen. Ik zie scherp als een adelaar, als een ridder in een benarde positie die een vijand gewaar wordt, een gevangene achter tralies die geen kant uit kan, maar alle moed verzamelt om de vijand recht in zijn gezicht te kunnen zien. Dan springt er iets kleins en onbenulligs van steen naar steen, zoals wij vroeger over de tegels sprongen.
'Dag meneer,' zegt een bruine vlek. Ik zie een jongetje. Het is een schooiertje met een scheur in zijn uitgerangeerde jas. Hij heeft ongekamde haren die alle kanten op staan. Plots staat hij voor me, ik staar hem onbeschaamd aan.
'Is uw vrouw misschien verleden?' vraagt hij.
'Overleden?' stamel ik, terwijl ik mijn handen slap langs mijn lichaam laat hangen. 'Nee, nee, nee. Dan rent het jongetje weer terug naar de graven en springt met twee voeten van graf naar graf.
'Hé!?' roep ik. Ik zou met hem moeten meedansen, maar mijn volwassen geest weerhoudt me ervan. 'Hé?' bootst het kind me na, 'Hé, hé!'Het is alsof hij gehypnotiseerd door het springen zijn grootste avontuur beleeft. Met een wazige blik volg ik de bewegingen van de minkukel. Voordat ik het weet sta ik te midden van de graven en lach zenuwachtig.
'Hé malle,' roep ik enigszins vertederd, 'Malle!' Ik hoor het mezelf roepen. Het klinkt ouwelijk. Dan staat de jongen weer voor mijn neus en kijkt hoog naar mij op. Ik denk dat hij een jaar of zeven is. Ik zie nu ook dat hij zwarte vegen over zijn wangen heeft, alsof hij regelrecht uit het bos komt.
'U vindt het zeker gek dat ik hier ben,' zegt hij beleefd, 'Weet u, ik heb zojuist een schat opgegraven.' Ik heb niet goed naar hem geluisterd, maar meen dat hij denkt dat ik hem gek vind. Misschien zal hij, als hij even ouder is, zijn knikkers en zakmes wel begraven en zijn kinderstreken van zich afschudden. 'Je bent inderdaad een gek kind,' zeg ik doodleuk, terwijl ik me eigenlijk over hem verwonder.
'En u bent een gekke volwassene,' zegt het kind onverschillig, 'maar nu moet ik naar mijn moeder.' Even later weet ik niet of ik me alles verbeeld heb en begin ik te twijfelen of ik wel scherper dan anders zie. Als ik thuis kom, zegt Marloes dat ze zeker weet dat ik in de war ben. Zij weet alles altijd zo zeker, net zoals mijn moeder vroeger ook alles zo zeker wist.

Een paar weken later als mijn bewustzijn min of meer weer in zijn oude staat terug is, als ik niet meer zo sterk op prikkels van buitenaf reageer en Marloes in mij weer 'de oude Joen' terugziet, besluit ik van het ene op het andere moment om naar mevrouw Prins te gaan. Kapiteinlaan 16. Bij het bos, een halve kilometer van de begraafplaats. Ik besluit met mijn auto te gaan en stel me voor hoe ik hem geluidloos tegenover haar huis parkeer, hoe ik met stevige pas naar haar deur loop, krachtig aanbel en dan volmondig uitspreek dat ik het was die het ongeluk veroorzaakt had. Daarna zou ik zeggen hoe erg ik alles vind en vragen hoe het nu met haar gaat. Een beproeving.
De tijd gaat soms sneller dan je denkt en voordat ik het weet sta ik met een vreemde grimas op mijn gezicht tegenover mevrouw Prins. Ik steek mijn hand zelfverzekerd naar haar uit en spreek kordaat mijn naam uit. Gelukkig ontglipt er niets onheilspellends aan me, hooguit wat koortsachtig zweet. Mevrouw Prins, in groene badjas met glinsterende knopen, ziet er moe uit. Ze heeft twee grijze wallen onder haar ogen die me aan theezakjes doen denken, een diepe rimpel schuin boven haar linkerwenkbrauw en geschilferde roze lippen. Jeanet. Een jaar of drie ouder dan ik. Ik zie weer teveel. Mijn bewustzijn dringt zich opnieuw pijnlijk aan me op en ik besef hoe machteloos ik ben.
'Hoe is het nu met u?' stamel ik als mijn hand vanzelf terugdeinst. Ze had hem niet aangenomen.
'Jeroen van der Zee. Advocaatlaan 23,' zegt ze trefzeker, 'die overwerkte vent van die splinternieuwe rode sportauto. Wat ben je van plan?'
Met haar hand schuift ze het dikke haar achter haar oor en kijkt me verbolgen aan.
'Natuurlijk doet het veel pijn. Het verlies moet ondraaglijk voor u zijn,' zeg ik terwijl ik een grimas trek, 'Ik denk er elke dag aan. Ja, elk uur. En ook aan u.' Ik spreek de woorden langzaam en gecontroleerd uit om te voorkomen dat ik mijn helderheid verlies.
'Ik vind het erg dapper dat je het waagt hier te komen,' zegt ze dan. Ze heeft haar armen over elkaar geslagen en kijkt me meewarig aan. 'Zie je, ik ben alles kwijt, maar zie steeds jouw gezicht voor me, hoe je hartverscheurend huilde toen je bij dat hek stond. Ik had het gevoel dat jij de enige was die met mij mee leed. Toen rende je opeens weg. Ik probeerde me los te rukken van mijn man, van wie ik binnenkort ga scheiden.'
'Je doet alsof ik een held ben,' zeg ik. Het ontglipt me.
'Wat een onzin. Er bestaan geen helden. Vrouwen weten dat,' zegt Jeanet stellig, 'maar nu ga ik terug naar mijzelf en dat moet jij ook doen.' Ze geeft me een hand en sluit dan doodkalm de voordeur. Ik wacht af of er een paniekschreeuw komt, maar er komt niets.
Ik draai me net om, als de deur weer opengaat. Daar staat Jeanet in vol ornaat, nu met open badjas, blote buik en een kralenketting om haar hals, speciaal om mij te wurgen. Gehypnotiseerd bewegen mijn ogen van kraal naar kraal. Dan staat ze vlak voor mij en ruik ik een fris parfum. Een moment later voel ik twee sterke armen om mij heen en wil ik schreeuwen. Als ik bijt laat ze me direct los. Ze geeft me een duw, zodat ik omtuimel. Voordat ik in het grint lig, zie ik nog net hoe zich twee rijen tanden in haar hals aftekenen.
'Gek kind,' mompelt ze en smijt de deur met een doffe klap dicht.

Over mijn schouder heen meen ik een jongen te zien die met een zakmes mijn autobanden bewerkt en dan naar een volgende auto gaat. Ik ben echter onherroepelijk te laat om hem tegen te houden. Met hangende schouders kijk ik hoe de jongen in de verte verdwijnt.