Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens


Het herstel (2014)


Iets in mij heeft mij in beweging gezet. Als vanzelf volgen mijn voeten het pad dat voor me uitgaat. Ik neem de hindernissen met gemak, alsof ik ergens door betoverd ben. Lang heb ik gezocht naar vrijheid. Elke dag, als de zon opkwam, inspecteerde ik de wanden van mijn cel. Met glazige ogen onderzocht ik de betonnen vloer onder mijn eeltige voeten. Dwangmatig keek ik op naar het smalle raampje, dat zich in een hoek tegen het plafond van mijn kamertje bevond. Ik wachtte op het bekende... het was een verrukkelijk spel.
Ineens zag ik in mijn waan de twee golvende designstoelen en de retro eettafel met het glanzende formica tafelblad weer terug, die mijn Albertje, heel lang geleden, toen we nog idealen hadden, voor ons kocht. In de werkelijkheid staan ze nog altijd op dezelfde plek in de voorkamer, maar een mens moet zijn verbeeldingskracht toch ergens voor gebruiken, daarom heb ik mijzelf aangeleerd hoe ik ze met mijn blik kan verplaatsen en door de lucht kan laten zweven — het is jammer dat ik de beelden met niemand kan delen, want het is werkelijk een machtig mooi gezicht als de meubels van de grond afkomen en door de lucht zweven!
Boven de tafel met het formica blad hingen tien jaar geleden in vol ornaat mannen en vrouwen in Soir Bleu, zoals ze verkleed en wel door Edward Hopper geschilderd waren. De één als clown, de ander als hooghartige dame, een derde als heertje met keurige baard en strik. Op een dag was monsieur Albert op het idee gekomen de reproductie door Morning in a city te vervangen. In dit uitzonderlijke geval was ik het niet met hem eens geweest. 'Teveel eenzaamheid,' had ik klungelig geprotesteerd, alsof de mensen die aan het theater van Soir bleu deelnamen er beter aan toe waren. Hopper en eenzaamheid hoorden nu eenmaal bij elkaar. Albert had dan ook verbaasd opgekeken.
Voor de eerste keer in ons huwelijk, dat toen zeker al acht jaar telde, had hij naar me geluisterd. Tot mijn verbazing had hij zijn zin niet doorgedreven. Hij had Soir bleu dan wel verwijderd, maar hij had er geen andere Hopper voor in de plaats opgehangen. 'Het is afgelopen met de eenzaamheid,' had hij ferm gezegd.
Albert deed aan projecten. Hij had het ene project nog niet afgerond, of hij verzandde al in een volgend. Hoe hij telkens nieuwe interesses ontwikkelde, was me een groot raadsel — voor mij waren alle dagen gelijk. Na de schilderijengekte en de antiekverzameling, was Monsieur een paar jaar lang geobsedeerd door postzegels uit verre landen geweest en daarna had hij zich met een onverklaarbaar enthousiasme op het drogen van bloemen geworpen. Tot slot waren de vlinders aan de beurt, die Monsieur met uiterste zorg prepareerde. En ik, zijn eerste project? Ik was er aan gewend geraakt alle instrumenten na gebruik direct weer netjes op te bergen, zodat er geen spoor meer van zichtbaar was. Ik was al jaren goed om zijn bedje te spreiden, maar jammer voor Albertje... ik kon mijn mening steeds minder goed voor mij houden.
Op een dag, ik denk dat we bijna aan ons twaalfenhalfjarig jubileum toe waren, heb ik Monsieur er van weten te overtuigen dat het zeer onwaarschijnlijk was dat hij de zeldzame blauwe limenitis populi ooit zou vinden om zijn collectie te completeren. Misschien had ik het al meer dan twintig keer gezegd — ik heb niet geteld. Uiteindelijk reageerde hij op mijn opmerking. Zienderogen groeide de angst in zijn ogen toen ik hem vijandig aankeek. Ik grijnsde breeduit omdat ik mijn gevoel getoond had en blijkbaar effect scoorde. Hij liep rood aan. In een moment van wanhoop kieperde hij zijn hele verzameling vlinders in de prullenbak. Ik fronste mijn wenkbrauwen en keek net zo hautain als de dame van weleer van Soir bleu. Als de wiedeweer trok hij een fles wijn uit de kast, die zeker al een paar jaar op ons stond te wachten. Van nuchter leven hield hij niet — het leven moest een doel hebben en hij een onderwerp waar hij zich totaal op kon richten, zodat hij — in hemelsnaam, de wrede god zij hem genadig — zichzelf vergat. Zodra hij een project opzij legde, moest er iets anders voor in de plaats komen om hem van zijn gekweldheid te verlossen.
Ik zie nog voor me hoe Monsieur Albert mij argwanend aankeek, toen ik op een dag in diezelfde tijd Morning in a city uit de kelder haalde, deze met groot gebaar afstofte en demonstratief op de lege plek boven de tafel terughing.
'De eenzame mensen,' schertste Albert, 'Hadden we die niet afgeschaft?' Diezelfde middag slingerde hij woest een stapel a4-papier door onze kamer, omdat ik gezegd had dat hij halfgare gedichten schreef. Maar perfectionistisch was ik allesbehalve. Streberig, dat was hij. Ik liep voortdurend tegen zijn muren van schoonheid op en bonkte dwingend met mijn vuisten op de hermetisch gesloten deur. Hij had hem achter mij gesloten, dacht ik verbeten, omdat ik zo nodig veranderen moest. Omdat ik zo nodig zoals hij moest zijn. Zo opgeruimd, geordend als zijn vitrinekast, zoals ik dat nooit zou kunnen zijn — voortdurend moest ik mijn eigen waanzin tegenover de zijne zetten. Ik hield het niet langer uit.
Hoe vaak heb ik mezelf niet gepijnigd met de gedachte dat ik niet goed genoeg was voor mijn deftige mijnheer. Als ik echter vanaf mijn plek tegen de smetteloze muur naar Morning in a city, naar de naakte vrouw met de ronde billen tuurde, werd ik vanzelf rustig. Ik keek naar haar, zoals zij uit het raam keek: wij waren vol verlangen. Na enige tijd voelde ik hoe de vier muren zich beschermend om mij heen sloten en was ik terug in mijn waan. Uit verveling volgde ik minutieus de vluchtroutes van muizen. Met mijn armen reikte ik naar het licht dat door het smalle raampje aan het plafond viel. Denkend aan de verplichtingen die meneer Albert mij op waagde te leggen, rukte ik onbeheerst aan mijn tralies. Ik drukte mijn oren tegen de wand om te luisteren wat zich aan de andere kant van zijn strenge verordeningen bevond... ik danste met de meubels en het antiek... speelde mijn verrukkelijke spel.
Op een ochtend, toen de zon dwars door het kleine raam aan het plafond een rood licht door mijn cel verspreidde en alles in lichterlaaie zette, krabde ik met mijn nagels het behang los en priemde ik de punt van mijn nagelschaar in het cement tussen de rode bakstenen daarachter om een gat in de muur te maken. Het gruis dat mijn actie opleverde verpulverde ik tussen mijn vingers. Bijna had ik het over het ongeschonden tafelblad gestrooid om er grimmige woorden in te krassen. Ik deed het niet.
Ik keek verbaasd naar het rozige kruid en wreef het zo fijn, dat ik van binnen een beetje smolt. Hoe fijner ik het toverkruid verpulverde, hoe zachter ik van binnen werd. Bij elke ademhaling smolten mijn muren langzaam weg. Toen ik in trance mijn ogen sloot, hoorde ik voor het eerst de stem van mijn hart weer spreken. Iets zette me in beweging. Een vreemde man nam me aan zijn hand en leidde me uit mijn cel, alsof mijn muren vanzelf omgevallen waren. Ontvankelijk als ik was, voelde ik een immense ruimte om mij heen.
'Kijk,' fluisterde de vreemde man getroffen, 'limenitis populi, de blauwe ijsvogelvlinder'. Meer zei hij niet. Nu pas herkende ik zijn stem; het was mijn eigen Albert en zijn stem klonk zacht. Ik slikte.
'Kijk dan, lieveling,' herhaalde Albert, 'Kijk, hoe teer en hoe wonderlijk de tekening op zijn vleugels... kijk'. Bij het laatste 'kijk' begon hij zowaar bijna te huilen. Hij kon het niet meer aan. Ik glimlachte alleen maar. Ik had geen woorden, maar mijn hart begon harder te bonzen, toen ik mij herinnerde hoe wij vele jaren geleden naar vlinders en bloemen gekeken hadden en hoe wij de kruidige geuren van de grassen hadden opgesnoven. Met volle aandacht hadden we elkaar opgesnoven. We hadden elkaar zacht gestreeld en al onze zintuigen op scherp gezet om onszelf maximaal te kunnen ervaren. 'Ik zie het,' fluisterde ik ontroerd. Ik voelde me onverklaarbaar opgewonden. 'Kijk, wat hij doet!' Ik wist het zeker. De ijsvogelvlinder met zijn helderblauwe kleur verdween door het raam waar de vrouw van Morning in a city al een eeuwigheid door naar buiten gekeken had. Monsieur Albert deed het raam open en daar ging hij al fladderend zijn vrijheid tegemoet.

'Kom,' fluisterde Albert, 'de wetten zijn niet langer bindend. Het is tijd om naar onszelf terug te gaan! Hij nam me bij de hand. Ik wist het zeker. Ik was zijn nieuwe project, zijn eersteling. Ik wist waar we naartoe zouden gaan en lachte verrukt. Niet langer had ik reden me te beklagen. Mijn zure meningen waren niet langer van betekenis. Zelfs de muren om mij heen telden niet langer. Ik moet toegeven... ik had ze zelf gebouwd. Dag na dag, week na week had ik er behagen in geschept mijzelf te kwellen met mijn verlangen naar vrijheid, dat des te sterker werd door de gedachte aan Alberts strenge normen. Hoe had ik het ooit in mijn hoofd kunnen halen om hem de schuld te geven van mijn misère?
In het open veld ademde ik diep, keek rond en voelde dat alles om mij heen trilde. In een golf vloeide het leven in mij terug.

Hand in hand met mijnheertje Albert doorkruiste ik het open veld. De zon wierp zijn licht op ons en de wind streelde onze gezichten. Als voor het eerst rook ik weer de zoete geur van jaren geleden, als in een herinnering koesterde ik Alberts kabbelende stemgeluid. Verbaasd voelde ik zijn zachtheid tot ver achter mijn huid.
Hij keek me aan en ik keek terug. Dat was alles wat we nodig hadden... hij en ik. Het project leven is in wezen heel eenvoudig. Het is loslaten om jezelf terug te vinden in de ander. Het is vrijheid in verbondenheid. Nee, wij passen niet in afgemeten hokjes en zijn niet gemaakt om in een keurslijf te leven, zelfs al hebben we onszelf erin geplaatst. Er staat ons maar één ding te doen; aloude patronen te doorbreken om ons opnieuw te wortelen in ons gevoel. Geen reden heb ik meer om in mijn eigen waanbeelden te zwelgen. Mijn agenda met takenlijstjes doet er niet meer toe. Ik heb geen tijd meer om mij op achtelijke taken dood te staren. Geen stof om weg te blazen onder het Perzische tapijt.