Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens


De verdwijning (1991)


Terwijl ze vanachter haar wimpers naar buiten tuurt, deinen mensen met koffers, petjes en zonnebrillen als kleurige voorwerpen in haar blikveld heen en weer. Ze staat krampachtig op haar voeten en houdt zo een grote vierkante decimeter asfalt bezet. Bijna valt ze om. Een man vangt haar nog net op. Zijn haar is net zo grijs als het verjaarde asfalt waar de zon op schijnt. Het dringt tot haar door dat hij naar haar gezwaaid heeft.
Zonder dat ze het doorhad is hij van haar weggegaan.

Hotel Ailleurs. Kamer 37. Marsha zit ineengevouwen in een stoel aan een zwaar bureau. Haar onderbenen rusten op het stevige tafelblad. Met hellend bovenlichaam pakt ze een notitieblok uit de tas die op de grond staat en legt het tussen haar benen op het bureau. Ze schrijft: ' Het bureau is zo sterk als een bunker. Het zal niet snel uit elkaar vallen, maar zijn kwetsbaarheid zal toch wel blijken. Ik druk mijn peuk er op uit.' Met een felle beweging duwt ze de bloknoot opzij. Het was maar een bloknoot. Dan drukt ze haar peuk gecontroleerd op het bureaublad uit.
Een nieuwe sigaret. Ze herinnert zich jongens uit de bus, speciaal de jongen met donkerbruine ogen en wimpers als krissen. De schaduw van zijn lichaam. Ze herinnert zich de man bij de bushalte. Zijn zilvergrijze haar en beminnelijke blik. De klok slaat een uur. Beheerst plaatst Marsha haar voeten op de rand van het bureau, met kracht duwt ze de stoel naar achteren. Ze legt haar onwillige tenen recht. Kalm tuurt ze naar de zilverkleurige wolkjes die als een geest in de lucht. De as dwarrelt in vlokjes naar beneden. Als ze blaast, stuift het alle kanten op.
Na een paar sigaretten zit Marsha in het raam met haar voeten hoog tegen het kozijn. Ze eet perziken. Vanaf haar plek achter de luiken kijkt ze naar de mensen die over het roze asfalt slenteren. Twee meisjes steken hand in hand de straat over, deinzen terug voor een optrekkend vehikel. Marsha hoort een hol gegiechel. Claxons. Terwijl het sap van de perzik langs Marsha's kin en over haar vingers en handen druipt, steekt een parade kleurige mieren het kruispunt over. Even verbeeldt ze zich dat iemand haar wenkt.
Ze zijn zaligmakend verrukkelijk, de perziken, zo zoet als Marsha nog nooit geproefd heeft. Ze kijkt van haar kleverige handen naar de geultjes in haar polsen. De littekens zijn net beekjes limonade. Met het puntje van haar tong likt ze ze droog. Ze zuigt het sap naar binnen tot ze niets meer proeft. Iets voor twee uur springt ze op, wast haar handen en haast zich op weg.

Klokslag twee uur. Hol gebeier in het trappenhuis. Als Marsha op straat staat, slaat de hitte in haar gezicht. De klokken galmen na in haar hoofd. Vier uur was het toen de kist in de oven werd geschoven. Twee keer twee klokslagen. Midden op de dag. Ze had niet meer dom gegiecheld sinds die dag.
Als ze begint te lopen, neemt de massa haar direct op. Het verkeer. De ijverige mieren, op zoek naar zoetigheid. Ze besluit aan de rand van de stoep te gaan lopen, zodat ze zich op de reclameborden kan oriënteren. Leonor parfum, l'homme est séduit. Camomille facemask, pour maintenir la jeunesse. Haar blik dwaalt af naar meisjes van haar leeftijd en naar vrouwen in getailleerde jurkjes die zich soepel over het voetpad voortbewegen. Een man met wapperend haar manoeuvreert zich handig door de massa. Tegen de stroom in. Licht als een geest strijkt hij langs haar heen, kijkt haar voor een moment vragend aan en is dan verdwenen. Zoals zwangere vrouwen overal dikke buiken zien en pubermeisjes overal appetijtelijke jongens zien, vallen haar de bijnageesten op.
Tien minuten later ligt Marsha plat op het strand, haar ogen gesloten. Lichtvlekken veranderen in bekende beelden; Het atelier van pap, zijn ruwe gezicht, lachend, het grijze haar dat speels voor zijn ogen valt. Opnieuw paps gezicht, nu met getuite mond, ingevallen wangen en doorleefde, maar dromerige blik, zoals hij keek als hij gepassioneerd in het mysterie van een schilderij wegdreef. De kwast die hij losjes in zijn grove hand hield als hij met zijn blik afdwaalde en die hij dadelijk weer zou vastklemmen. Er zat bloedrode verf op zijn vingertoppen. Bloedrode verf op de grond, op zijn wangen en in zijn haar. Een zwart klont in de holte van zijn buik.

Marsha gaat zitten. Ze schudt haar hoofd leeg. Tuurt naar de keien. Pakt daas het notitieblok uit haar tas. Met haar lichaam losjes voorovergebogen schrijft ze: 'Ik zit op het strand van Nice op een handdoek op glad geboende keien. Ik verbaas me erover dat de keien nog niet tot zand verpulverd zijn. Misschien is de zon niet sterk genoeg. Misschien zijn de stenen weerbarstig.' Ze sluit het notitieblok en mikt het terug in haar tas. Het was maar een bloknoot. Ze zoekt een houding op haar handdoek en sluit opnieuw haar ogen. De zon brandt intens. Haar ledematen tintelen. Eén verdieping lager dan het geestenrijk, ligt ze, op de stoffelijke aarde waar stenen gloeien en lichamen verlangen uitdrukken. Er verschijnen zwarte figuren achter de horizon van haar oogleden. Ze draaien om haar heen en laten hun ogen over haar rondingen gaan, over haar glad geboende gezicht. Iemand buigt zijn hoofd naar haar toe. Ze opent haar ogen. Twee helblauwe ogen kijken haar aan. Wat wil de mens achter het gezicht? Blonde lokken, ze vallen bijna op haar. Een gebruinde huid. Warmte. Ze krimpt ineen. Sluit haar ogen. Draait zich om. Als de klok van drie uur luidt, schrikt ze overeind. Stomdronken van zon en begeerte loopt ze over de keien naar zee. Niemand ontkwam aan de begeerte. Niemand! Ze strekt haar hals uit en kijkt strak voor zich uit als ze langzaam de zee inloopt. In één duik is Marsha onder. Ze zwemt zo ver als ze kan en laat haar lichaam wegzweven. Laat zich door de golven naar de kust terugjagen. Ze denkt dat het een zot gezicht moet zijn hoe zij zich als een lijk aan laat spoelen. Het land roept haar, de driedimensionale ruimte waar je een plek voor jezelf hoort te zoeken. Plek tussen de levenden. Tussen de mensen die zich kriskras door elkaar bewegen met het kinderlijke vertrouwen dat ze ergens heen gaan waar het goed toeven is. Sommigen zoeken werk, anderen een man, anderen een vrouw. Een enkeling kijkt alleen wat rond.

Terug over Avenue Jean Médecin. Het roze pad loopt over van mensen. Parmantige vrouwen, losjes gekleedde mannen, touristen met petjes op, zwervers en oude mannetjes. Ze geeft het allemaal een gedachte en voordat ze het weet zit Marsha op een bankje aan de stoeprand met het notitieblok op haar schoot. Waarom ze haar gedachten wil vastleggen, weet ze niet. Ze doet het. Ze schrijft: 'Mensen zijn als stenen die zich met ongekende krachten meten. Hun huid is zacht en ze zijn niet weerbaar. Daarom barsten ze snel.' Een geluid van hakken als klokken op het roze voetpad. Ze kijkt op. De wereld is net een televisiescherm, waarop pakkende beelden moeiteloos wegvloeien. Alles ademt een vluchtig verlangen uit. Ze schrijft het op. Controleert of het waar is. Alles ademt een vluchtig verlangen uit. Alles ademt een vluchtig verlangen uit. Bloknoot in tas. Haastig, met af en toe een botsing en een slap excuus glipt ze tussen de mensen door. Met een grote beweging stapt ze van het roze voetpad af, verdwijnt achter de glazen deuren en rent de stenen trappen op. De derde verdieping. Kamer 37. Ze hijgt.

Zoveel mannen en vrouwen, en zij. Ze duwt de deur dicht. In de kamer. De muren. Het roze behang is als een wolk van een leugen. Het bed met lakens een spook. In de ovalen spiegel doemt ze op als een schim. Glimmende ogen in een star gezicht. Een goddelijke rode mond. Lippen om te zoenen. Het bureau! God zij dank, het bureau! Ze haalt haar notitieblok tevoorschijn, gaat op de stoel zitten, legt haar benen op het zwarte tafelblad en leunt naar voren. Dingen opschrijven. Ze zet een spoor uit. Eist de aandacht op. 'Het bureau staat nog steeds onbeweeglijk in de kamer, als iets dat niet stuk kan. Als ik goed kijk zie ik scheve letters en een raadselachtige zwarte stip. Ik aai er over heen met mijn vinger. Weet je wat?' Gedachteloos laat ze het notitieblok wegglijden en krast met haar pen nauwkeurig M.H. in het tafelblad. Ze kleurt de littekens in haar pols in met blauwe inkt.

In de tijdloze nacht ligt Marsha naakt onder het spook van het laken. Het bed lijkt een boot die doelloos ronddrijft. Het is stil. Haar lichaam is zacht als boter. De lakens zijn koel. Er flitsen beelden van mannen met wilde haren door haar hoofd. Lichamen. Schaduwen. Lichamen. Begeerte, onontkoombaar. Als het donker is, stapt ze uit bed. Zorgvuldig draait ze het reflecterende witte laken als een jurk om haar lichaam. Het bureau glanst als een zee bij nacht. Even later steunt ze met haar voeten op de stoel en ligt ze met haar bovenlijf op het bureau. Het schiet door haar heen dat er vanwege de zuurgraad van haar zweet mos op het weke bureau zou kunnen gaan groeien. Later droomt ze dat ze in het onverschillige bureau verzinkt. Hoe dan ook, altijd is daar de begeerte om in iets op te gaan dat groter en sterker is dan jezelf.

De volgende ochtend. Iedereen moet ergens naar toe, zij ook. Het is een noodzaak, een gevolg van leven. Traag loopt ze de schemerige gang door. Gaat de uitgesleten stenen trappen tree voor tree af, de glazen deur door. In de vroege ochtendzon lijkt het roze voetpad van fluweel, als een lange loper die speciaal voor haar is uitgelegd en die ze alleen maar hoeft te volgen om bij haar bestemming uit te komen.
Op het strand is het stil. De zon is vriendelijk en het water kabbelt zacht. Marsha staat met haar armen langs haar flanken op het strand. Haar handen hangen slap. Ze kijkt zo ver als ze kan over de zee. Het kabbelende water houdt nergens op en maakt haar rustig. Als ze over de keien loopt en de wind haar haren opjaagt, strekt ze haar hals uit. Een vleugje 'Leonor' verdampt. Het benevelt haar. Marsha H. kijkt voor zich uit. Concentreert zich op de verte die bij de rotspartij ophoudt. Ze is leeftijdloos. In het gevoel van continuüm bestaan geen regels, geen leeftijden meer. Geen afbakingen in tijd. Alles is hetzelfde als niets. Het glorieuze niets. Heel jammer dat ze geen bloknoot bij zich heeft om het te noteren.
Boven op de rotsen staat iemand. Iets. Iemand. Marsha ziet zijn silhouet scherp tegen de blauwe hemel. Haren wapperen als doorzichtige vlammen in de wind. Met een licht gevoel in haar onderbuik schrijdt ze over het smalle pad omhoog. Bijna zweeft ze. Voor een moment kijkt ze de figuur aan. Zijn ogen glanzen koud als spiegels. Ze ziet zichzelf er niet in. Ze hurkt neer op de eeuwenoude rots en raakt met haar handen het steen aan. In de diepte onder haar spatten grijze golven ritmisch kloppend uit elkaar op de kliffen. Hoe langer ze naar het schuimende water kijkt, hoe meer de zee haar in bezit neemt. Dan staat plots de figuur naast haar. Zijn ogen zijn veranderd in water. Hij reikt haar zijn hand aan. Met wijd opengesperde ogen staat Marsha op en grijpt zijn hand beet. Het is zeven uur. Het is tijd. Het overdonderend lawaai van wekkers brult door haar hoofd. Ze trekt de figuur tegen zich aan. Het is gevaarlijk. Zij zijn van lichaam. Of toch niet? Ze controleert zijn gezicht. Zijn haar. Zijn lippen. Voor een moment staan zij als een beeld dat niet kan omvallen. Dan vallen zij.

  






  Joan Miro
  Joan Miro