Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens


Gedichten, Margrethe Venema,  (2016-2018)

Verzoening

De gedichten in deze serie heb ik geschreven naar aanleiding van ervaringen met mijn moeder. In november 2016 ben ik voor het laatst ‘gewoon’ bij mijn moeder op bezoek geweest. Het was apart en bijzonder om te merken dat ze haar leven al ‘afgerond had’, voordat ze begin december geopereerd zou worden aan haar hart. Ze had zich van haar kinderen losgemaakt, zich met situaties verzoend en had ook al haar papieren in orde gemaakt, mocht ze komen te overlijden. Ze vond dat het haar tijd was, maar het liep anders.
Door een beroerte tijdens de operatie werd mijn moeder halfzijdig verlamd en nam ook de helderheid in haar hoofd gaandeweg af. In 2017 brak een periode aan waarin de kinderen voor haar zorgden. Met name twee zussen van mij, en ik was er ook af en toe een blok van een dag of drie/vier. In deze periode uitte onze moeder haar grieven ongegeneerd, ze vond het bovendien normaal dat wij voor zorgden. Ze wilde vaak dingen die ze niet meer kon, zoals fietsen, ze moest nog van alles ‘met het reisbureau’ regelen en kleertjes voor haar zusjes kopen. De realiteit raakte zoek. Maar ze was ook erg afhankelijk, het was niet zo makkelijk om even afstand te nemen, want dan riep ze alle namen van de zusjes bij elkaar, net zolang tot er weer iemand naast haar bed of rolstoel zat. Maar stond je dan midden in de nacht naast haar bed, dan klaagde ze dat jij niet haar moeder was. Ik heb jou toch niet geroepen, maar nu je hier toch bent...
In 2018 is mijn moeder een paar maanden in een verpleeghuis verbleven, waar ze verpieterde, maar waar ze zich ook bij haar situatie neerlegde en zachter en tevredener werd. Ze ging anders uit haar ogen kijken; een vederlichte (zelf)spot werd zichtbaar en ging gepaard met acceptatie. Het leek bovendien tot haar door te dringen dat het wel iets bijzonders was dat haar dochters voor haar zorgden. Iedereen was er toch maar mooi mee bezig zich te verzoenen met de situatie, en met onze moeder, die wel een heel bijzonder type was.
Wat kwamen we dichtbij haar! En zij en wij deden ons schild af en vonden elkaar terug als gelijkwaardigen, als mensenkinderen, elk met een eigen geschiedenis, een eigen lot. En wij lachten gaandeweg steeds vaker opgelucht!

Onze moeder is in haar eigen huis gestorven. Het kwam zo uit dat ik de laatste paar weken van haar leven veel bij haar was. Naast verzoening met onze moeder, mochten we ons ook verzoenen met de dood, de vergankelijkheid. Toen zij stierf was zij werkelijk verdwenen. Het lijf was een restant geworden. De handen die we zojuist nog aangeraakt hadden waren niet meer.
Het was een zachte dood. En ik merkte voor mezelf op dat de dood genadig was, niet iets waarvoor je bang hoeft te zijn. En vooral konden wij de zachtheid van haar dood ervaren, omdat alles rond was, omdat we ons verzoend hadden. Met onze moeder, met de dood, maar dan ook met ons eigen leven, met het leven zelf.

Visualisatie  (november 2016)

ze ligt daar op een bed
met zonder witte lakens
nauwelijks bedekt
met opgezwollen buik
en ongekamde haren
in slaap gebracht
om elders te ontwaken

ze schuilt in coma weg
hoe wij ook zoeken
wij zullen haar niet vinden
toch is ze de weg niet kwijt
ze had haar lot al afgestemd
mijn moeder is een held
die zich aan het nederig lot
– voor haar God –
durft uit te leveren

nog even dan zal ik haar echt
en misschien voor 't laatst zien
ik stel mij haar voor
met rust achter gesloten ogen


Bidden met de dood voor ogen...

Verzoening (2)  (januari 2018)

Geactiveerd door iets,
door integriteit
mijn tedere vrouwelijkheid
bevriend met kracht en handelen.
Mijn yin en yang die trouwen,
van binnenuit slaan zij een
brug naar buiten,
denken slaat de handen ineen
met stromend water, diep gevoel.
Blij zing ik door de straten,
stil zodat niemand het verstoort,
ik houd mijn geheim nog verborgen -
slechts door mijn navel
mag je pogen bij mij naar binnen te kijken
want daar groeit nog negen maanden
het vervolg, nog vormeloos kind.

Geactiveerd ook door verzoening
met mijn moeder en mijzelf,
twee vrouwen, nu door een eerste
nachtzoen volkomen, een aai door 't broze
haar, vergeving en overgave aan elkaar,
voor altijd verbonden.

Mijn klein mama, het grote kind
nog even dwaas als ver te voren,
ik zie onschuld in je ogen en jij,
ook jij zag mij als voor het eerst –

en weet je nog, klein mama,
die ooit aan mij geboorte gaf,
dat onze ogen gelukkig glommen,
maar niet te erg, het was zo goed
dat het gewoon mocht wezen –

maar mama, ik voel mij nu zo trots, zo blij –
ik schreeuw je van de daken,
verzoening is een groot geschenk,
en het is vanzelf gekomen...


Zonder schild  (maart 2017)

Ze drijft op vleugelen van de nacht
om ons met pijnlijke pijlen te treffen;
zonder schild en tegelijk bekend;
te meer nog dan weleer, haar hersens aangetast,
gelooft ze hardop in 't eeuwig falen,
de aard van het beestje, dat ze dement
desondanks in zichzelf herkent.
Niet – nog nooit - op haar mondje gevallen
heeft ze geen excuus, haar tong vlijmscherp
visioen, tweesnijdend Zwaard Gods.

Heel de dag door uit zij haar grieven
om zich te bepalen bij hoe slecht wij zijn
en zij erbij en dat wij er voor haar moeten zijn.
Pas 's avonds laat als zij in bed en het kind
in haar herboren, kijkt ze mij met maanogen
tevreden aan, zij, verlangend naar de nacht en slapen
heeft een dag gewonnen, is weer blank.
Na voluit gezondigd te hebben volgt geen spijt,
geen blaam, alleen in God volgt genade,
verzoening komt nooit vanuit een mens.

Klein mama, ik wens je een goede nacht,
voel je gekke handje, half verlamd -
je linkerlichaam van fluweel drukt zo zwaar,
voelt als een ding, maar is in werkelijkheid
heel zacht –
Klein mama, als je dat nou eens voelde, zag.
Ik vind je mooi als ik je geloof zie smelten
in de nacht, als ik je tranen aaien mag.


Beelden om je heen vervagen...

Een laatste groet (oktober 2018)

Het is donker voor ogen;
op het randje van jouw tijd
ben je er nog maar een beetje,
je eet en drinkt niet meer...
Zal ik morgen een lief woord
in je oor fluisteren, wil je dat?
En zal ik dan luisteren
naar jouw lange stilte, zal ik
een zucht van verlichting horen, dan?
Misschien zal je mijn hand
nog eenmaal voelen op je wang
Misschien kunnen we nog net
gedag zeggen, mama, een keertje -
even geleden maakte je nog grapjes,
omhelsde een verloren zoon,
die je toch zo liefhad, toe mama,
knijp nog een keer in mijn hand –
oh als je nog kunt, knijp me dan hard.

Palliatieve sedatie (1)  (oktober 2018)

Mama,
ik heb de concentratie niet
om je een gedicht te schrijven
en ook het divergente denken is
tijdelijk gestopt; je brengt
heel je familie in een vacuum,
voert ons bijna met je mee in t graf.
In jouw kamer de citroenplant,
deze keer nam ik, zoals jij het zei,
een stekje mee, om na jouw einde,
na het vacuum van stiltezwijgen,
opnieuw groei te zien –
Jouw korte tijd is voorbij, zei je,
en nu slaap je toch zo lang, zo lang
zusje lief noemde nog het
Guiness Book of Records,
maar daaraan hecht jij geen belang –
Jij, sterke vrouw noem ik je, klein meisje,
je slaapt en ademt door, wij waken,
tussendoor houden we je koele hand
nog vast, en soms wordt je
dan weer warmer, zo ben je wel
je fluistert zonder woorden terug;
zo de Heer wil en wij leven,
dochters van mij, zo is het goed.


De mens, zijn dagen zijn als gras...


Ervoor, erna  (6 november 2018)

Ervoor

ik wacht tot we naar Sleen
plaats tussen de bomen, graf
ik wacht tot wij besloten
nageslacht, zo’n 25 kinderen
elkaar sober zullen begroeten
ik wacht tot wij gaan
ik wacht op de laatste blik
op je kunstzinnige paars,
mama, ik wacht op
je zachte oogleden
je verfrommelde handen
op je schoot, ik wacht
op wat van je over is
ik wacht op het vioolspel
op woorden van bezinning
ik wacht op de schroeven-
draaiers, op broers en zusje
die je zullen dragen naar het graf
Dan weet ik, gaan wij
werkelijk en waar
luxe broodjes eten, en soep.

Erna

ik ben thuis en voel me verrukt
het is heel eenvoudig goed
er valt niets meer
niets minder meer te zeggen –
het weer had zeker meegeholpen
en ook de lach op zusjes gezicht
maar nu voelt het gewoon klaar,
al zal ik stukjes van mijn moeder
in ieder van ons blijven ontmoeten
het lichtvoetige en spelerige
is eerlijk onder ons verdeeld –
en ook de andere kant, helaas.

Menswording  (november 2018)

Ik dacht al mens te zijn, maar was vergeten
hoe het was om met blote voeten in het gras
bevlekt te zijn als kievitsbloemen;
licht en schaduwen vielen over mij,
ik tuimelde als een tuimelbeker op mijn zij,
een witte vogel en een zwarte vlogen over,
de zon ging onder in de zee van herfst,
ik ontdeed mij van huid en daar zag ik mij;
als wolk dreef ik aan mezelf voorbij
totdat ik nieuwe voeten kreeg en ze
droegen mij, droegen mij vanzelf naar huis.
Mijn handen zetten water op, ik dronk mijn thee
en dat was alles, ik hoefde niet zo zeer
nog iets speciaals te zijn, gewoon mijzelf,
lijf en leden opgevouwen om mij heen.

Groene weiden, ruige natuur, de andere wereld

  


De raders draaien om het rond te krijgen

Verzoening  (september 2018)

Het ruimt op tot aan de bodem van jezelf,
lost op, blokkades smelten weg
als ijs voor de zon, een weg wordt gebaand,
verzoening met een ander is verzoening met jezelf!

Twijfel niet, neem de hindernis die je tegenhoudt,
daarachter gaat een land van melk en honing schuil
waarin je vrij stil mag zijn, vrij spreken mag –
Och blokkades verdienen aandacht, warmte, liefde

zodat zij innig smelten, de weg vrij maken naar

Mijn mama  (november 2016)

Mijn mama slaapt,
ze heeft genoeg gesproken
'niets is toevallig' zei ze op 't laatst
halfzijdig verlamd, nog net verstaanbaar,
zich van geen goed en kwaad bewust

Mijn mama slaapt tevreden
zacht zonder schild en fanatieke woorden.
Onschuldig als een volwassen kind
roept ze als ze haar ogen opent de zuster.
Zij houdt van alle mensen, ik wist het niet.

Mijn mama opent haar mond
om zich te laten voeden
Ze grijpt mijn hand zo anders vast
als nooit te voren,
zij heeft haar schuld reeds afbetaald.

Mijn mama is niet bang meer,
ik hoef geen angst te sussen-
wij zijn veilig wat er ook gebeurt,
er zijn altijd mensen, engelen goden
om voor haar te zorgen,

omdat ze het verdient,
maar dat zijn niet haar woorden.

Mijn mama (2)  (februari 2017)

Mijn mama roept,
heel zachtjes wekt zij mij
uit de verte uit mijn slaap.
Het gekooid bed staat in de kamer.
Zij fluistert gekromd 'vader, moeder',
omdat zij niet meer schreeuwen kan.

Mijn mama is klein geworden,
gekrompen kind, terug bij af,
met ondeugd in haar ogen,
precies zoals dat enfant terrible,
waar ze als volwassene al over sprak.
Ik zie haar nood verhuld zoals zij
in haar jeugd verlaten verstoppertje
speelde voor 'hoe het hoort'.

Mijn mama, de losbandige, roept
'Ik ben de baas!',
ze vergist zich in het zusje;
mijn mama eet haar moesje braaf
met slap, servet mag zij nu smullen.
Misschien word ik volwassen,
zijn de rollen omgedraaid.

Na het plassen, voor het slapen,
een nieuwe nacht, lees ik psalm 139 hardop
en 103, ik kan niet troosten, wij immers
zijn vergankelijk als het gras –
als de wind waait zijn wij niet meer.
Zo heb ik dat van jongs af aan geleerd.

Als kind las mijn mama de begraafplaats,
waar haar dode zusjes in kistjes lagen,
tegenover de strenge pastorie, waarvoor
een boom doorkliefd door onweer.
Met de donder kerfde het 'Gedenk te sterven'
zich op jonge leeftijd in haar ziel.

Het leven was heel ernstig, maar nu niet meer.


Waar de ellende mee begon... of het geluk mens te zijn?


Je noemt me nota bene moeder  (mei 2017)

Juist op deze ochtend,
ik ga weg, de kraaien kraaien,
de lucht zwanger van zomer -
tot wedergeboorte komt het niet,
de auto's in de verte grommen.

Een duik in boze vergetelheid,
een pauze zonder zorgen
door er voor een oude vrouw te zijn-
heel ver weg maakt zij deel van mij
– ik hoor het de wind zuchten.

Mijn klein koninginnenmoedertje,
in het nu zal ik straks weer bij jou zijn.
Door mijn schaduw in het gezicht te zien
zal ik mij verjongen, alle dingen dienen mij

– je noemt me nota bene moeder;


Op het randje van de tijd  (september 2018)

Het zorgen voor komt er weer aan
maar niet als doel van leven
zorgen voor verbindt diepe lagen
geeft, als je je er niet in verliest,
besef van vluchtigheid en leven,
grondt jezelf in ‘nu het nog kan’.

Op het randje van een zachte dood
naast het dragende bed gezeten aai ik,
haar bewegingsloze handen, vingers
komen voor het laatst tot leven –
mam, sluit je ogen, rust in vertrouwen,
als je wilt mag je nu gaan.

Terug van weggeweest   (september 2018)

De stad Leiden verscholen achter de stilte
van een verlaten studentenhuis
Het laatste meisje dat er woonde
kwam nog even langs om de bijzondere
te groeten, die in diepe slaap verwikkeld
op het luxe bed in het achterkamertje lag.
We dronken thee en spraken over kunst
tot zij uit het laatste leven van het restje
van haar huisbazin verdween.
Mijn klein moedertje, bij vlagen helder
is weer terug in eigen thuis,
al bestaat haar wereld uit één kamer,
daar achter in het studentenhuis, waar
het mooie meisje een hertje op de muur
tekende als afscheid van haar kinderjaren.
Dat tafereel compleet met appelboom,
kijkt mijn moeder vredig aan,
ze wil het hertje heel dichtbij –
als ze rechtop zit raakt het haar zacht aan.



Ziekbed, de laatste woning...



Palliatieve sedatie (2)  (november 2018)

Mam, het is voorbij;
je hoeft niet nog eens te ontwaken
uit ongecontroleerde diepe slaap
om ons te verwarren met je blauwe blik;
wij drukten vol overtuiging op de knopjes;
je moest slapen in opdracht van
om het onmenselijke te onderdrukken.

je wist niet beter, dan dat je dit wilde;
liever langzaam volgens de natuur –
en God beschikte onmiskenbaar

ach en wee,
je kinderlichaam teerde langzaam uit,
het leek op een moeilijke bevalling-
terug naar nul ging je,
waarbij geboorte op de drempel wachtte.

Oh sterke vrouw, klein meisje,
nog eenmaal keek je ons toch aan
onder de stuff keek je zo dromerig,
wij speurden naar schoonheid
in je helderblauwe blik.
Nog een keer bewoog je je hoofd
nauwelijks zichtbaar naar ons toe;
wij zeiden onze laatste lieve woordjes
en dat het goed was en dat je veilig
in Gods handen, dat je je
mocht overgeven, enzovoort –
en het was alsof je jezelf eindelijk
toestemming gaf om te vertrekken,
Na een goed moment samen
dromerig bewust, oh wakker
liet je het fictieve leven los –
je ging, liet vrede bij ons achter.

Wij bleven met je restant over;
een lege huls waaruit het leven verhuisde
naar de andere kant van ergens
het was een lange reis, nietwaar,
en wij, wij ademden op en lachten.


Alles anders  (7 november 2018)

Als je terugkomt van weggeweest
uit de volle leegte,
Als je terugkomt van een logeerpartij
bij Heer Dood, de bevalling erop zit
Als het vacuum zich begint uit te vouwen,
de oneindige lucht
zich weer met kleur en lijnen vult
is alles anders dan voorheen –
minder of beter zijn geen termen
maar het is wel vreemd.

Ik denk wel dat een mens
beter wordt van kennismaking met
als het maar niet gaat overheersen

Ach, alles wordt zo ontzettend klein
als je vanaf het einde hebt gezien.



Telefoon van een dankbaar iemand, pijnpunt  (november 2018)

‘Ik heb haar jas en schoenen aan
en in mijn kast liggen zelfs onderbroeken
van jouw mamam’, zei ze en ging door:
‘Twee weken bad ik voor een stervende
ik wist niet wie, ik durfde niet te kijken –
en toen ontdekte ik dan dat…’
Och ja, mijn moeder blonk uit in geven
aan wie niets meer had, zij was
een moeder voor de armen, dommen,
bood onderdak aan wezen,
bij wie niemand meer kwam,
bij de ellendigen, kwam zij nog op bezoek,
omdat dat gewoon was in haar ogen –

Dit moest ik nog even kwijt,
in bepaalde opzichten was mamam bijzonder
met een wrede schaduwkant.
Och ja, zij was door de genade Gods
werkelijk de schaamte ver voorbij
met alle voors en tegens, maar dat meisje
dat niets had, het gezicht van zulke mensen –
hebben wij van jongs af aan gezien,
het lijden van anderen verankerde zich in onze ziel,
– is het dan nooit genoeg? Nee nooit!
– mogen wij nu iets voor onszelf? Nee nooit!
Gij zult uw naasten liefhebben boven uzelf!

En zo deden wij...

Als een magneet trok ons het lijden aan,
ons pad lag vol obstakels die wij gemakkelijk
konden nemen, wat anderen moeilijk vonden
was voor ons geen kunst aan
alleen onszelf, onszelf
moesten wij daarvoor steeds vergeten –
het was ook heel koud in de schaduw
waar wij al die noodlijdenden troffen,
die opriepen om egoloos te zijn.
Wij waren ooit als zwaan kleef aan
zelf nauwelijks nog zichtbaar, want
wie aan zichzelf dacht was egoïstisch –

zodra wij groter wilden groeien
en onszelf wilden ontdekken, voelden we ons gehaat.