Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens


Gedichten, Margrethe Venema, Thema Kwetsbaar (1993-2017)

Hooggevoeligheid, La condition humaine en het lijden

Sinds een jaar of vier valt het mij op dat hooggevoeligheid een hot item is, waarvan in de media veel gewag gemaakt wordt, of althans in meer spirituele kringen – waarschijnlijk omdat het type hooggevoelig zich daar vaak thuisvoelt, en omdat spiritualiteit en mindfullness oplossingen bieden voor de problemen die hooggevoeligheid met zich meebrengt. Maar misschien meer nog omdat hooggevoeligheid in meer spirituele kringen als een bijzondere gave gezien wordt en dus de bevestiging biedt waar ook hooggevoelige mensen vaak naar snakken. Je bij een spirituele groep aansluiten kan als thuiskomen voelen.
Ik onderscheid mij als hooggevoelige in die zin dat ik sterke behoefte voel aan realiteit en stevigheid. Niet de zachtheid, invoelendheid, beïnvloedbaarheid en wankelbare grenzeloosheid in deze, die ik de afgelopen jaren onderzocht en aan de lijve ondervonden heb, voeren op dit moment de boventoon, maar de behoefte aan rust en kracht in en duidelijkheid omtrent mijzelf. Een beetje meer ego in plaats van minder...
Kwetsbaarheid/gevoeligheid zijn natuurlijk niet specifiek eigenschappen van hooggevoelige mensen, maar maken per definitie deel uit van la condition humaine. Achter maskers van ongevoeligheid, rationaliteit of handig communiceren gaat evengoed het breekbare schuil. Daarmee om te kunnen gaan vereist (zelf)inzicht, (zelf)relativering én stevigheid, maar in de eerste plaats een aanvaarden van zichzelf en van de vergankelijkheid. Daar waar alles voortdurend aan verandering onderhevig is, is leven 'een voortdurende sterven en opnieuw geboren worden'. Ook het fenomeen 'hooggevoeligheid' is aan verandering onderhevig. Het is als eigenschap niet continue even sterk aanwezig en kan zich in combinatie met andere factoren op verschillende manieren manifesteren.
Een van de dingen die mij helpen om de voeten op aarde te houden is het lijden van de mens. Het lijden drukt de mens op een andere manier dan hooggevoeligheid op het feit van zijn eigen kwetsbaarheid. In mijn ogen vereist het lijden een antwoord, niet alleen in een houding en een bewustzijn van, maar vooral in de handeling. Daar waar in de spiritualiteit vaak op zweverige wijze aandacht aan verbinding gegeven wordt, doet het lijden een heel concreet beroep op mijn betrokkenheid bij anderen.
In het lijden speelt juist het op zichzelf teruggeworpen zijn een grote rol. Niet de verbinding en de eenheid tussen mensen regeert daarin, maar het afgescheiden zijn: De eenzame mens en zijn ontoereikendheid komen hier om de hoek kijken. Wegzweven en je afweren helpen daarbij niet. En je terugtrekken of je eigen geluk op de eerste plaats zetten ook niet. Er zijn realisme en moed voor nodig om het lijden onder ogen te zien en ook om je eigen lijden te doorleven. Een zekere hardheid, waar het me de laatste paar jaar door hooggevoeligheidsperikelen aan ontbrak, komt daarbij van pas. Ik zou deze vorm van hardheid graag helderheid willen noemen, helderheid zoals we die aan de zon toeschrijven, die helder en scherp tegelijk kan zijn. Helder licht scherpt immers ook de schaduwen... het is onmogelijk om als je helder ziet de donkere delen van het leven te ontkennen. Schaduwkanten wachten dan ook al lange tijd op het moment welkom geheten te worden, teneinde geïntegreerd te mogen worden in het totaal.

Geboorterecht in lege handen   (december 2014)

Ze is geboren op het randje
van het bestaan met blote handen.
De materie ontglipte haar,
ze heeft geen grip erbij te horen.

Ze is geboren op het randje,
te eerlijk voor dit bestaan,
nooit heeft ze geleerd te liegen,
zien alsof is haar te vaag.
Maar ongeacht de wetten verstaat
ze wat haar in stilte aangereikt,
met lege handen staat te doen–
alleen of samen met de enkeling
die ze aantrof op het strand
van 't grenzeloos bestaan:
een schipbreukeling, een schim,
een liefde op het scherpst van de snede,
een madelief op rotssteen, aardmens
levensvatbaar en toch al bijna dood.

Ze is geboren op het randje
tegen beter weten in.
Aangespoeld schrijft ze haar fictief leven
om te eindigen in de goot,
waarvan het water als het sijpelt
terugstroomt naar de bron- met hem
vindt ze in schimmenrijk, in wolkenzee
haar geboorterecht terug, haar handen.

Gestrand heeft ze een lijf gekregen
om zichzelf bijeen te houden
en zijn vergankelijk lijf erbij-
geslachtsloos als gelijken druisen zij
welvarend tegen de materie in.
Ze hebben elkaar en handen nodig
om het deksel van hun huid, hun grafsteen
op te lichten, om geboren en getogen
geborgen mens met ziel te zijn.

Kennis   (januari 2015)

De eenzame man zoekt
in peilloze gedachten
een aanknopingspunt,
een poort waardoor
hij kan ontsnappen.

Hij vult zijn voorraad
trouw aan met gegevens
uit kranten, sociale media-
ervaringen had hij al zat,
in elk zocht hij een
leidraad om zichzelf
aan op te hangen.

Op een dag ontdoet de man
zonder profiel zich dapper
van zijn Jozefmantels,
pelt zichzelf als een ui af,
graaft zichzelf in stilte,
naakt begroet hij de dag
om dan, als de wind woest
opsteekt, het weefgetouw
weer op te pakken.

Hij verzamelt, breit zich rot,
het is zijn way of life
om de eindjes
aan elkaar te knopen
tot hij zich een geheel voelt,
een kunstwerk,
een deken misschien
om zijn leegte in te wikkelen,
dan pas mag hij dood.


Gezichtje, of de kwetsbaarheid van stenen

Visualisatie   (Uit: Gedichten over mijn moeder)  (november 2016)

Ze ligt daar op een bed
met zonder witte lakens,
nauwelijks bedekt
met opgezwollen buik
en ongekamde haren,
in slaap gebracht
om elders te ontwaken.

Ze schuilt in coma weg,
hoe wij ook zoeken,
wij zullen haar niet vinden
toch is ze de weg niet kwijt,
ze had haar lot al afgestemd.
Mijn moeder is een held op sokken
die zich aan het nederig lot
– aan haar God –
durft uit te leveren.

Nog even dan zal ik haar echt
en misschien voor 't laatst zien,
ik stel mij haar voor
met rust achter gesloten ogen.

Zonder titel   (Uit: Gedichten over mijn moeder)  (november 2016)

Mijn mama slaapt,
ze heeft genoeg gesproken
'Niets is toevallig' riep ze op 't laatst
halfzijdig verlamd, nog net verstaanbaar,
zich van geen woord bewust.

Mijn mama slaapt tevreden,
zacht zonder schild en fanatieke woorden.
Onschuldig als een volwassen kind
roept ze als ze haar ogen opent de zuster-
Het zegt me iets en niets,
zij houdt eenvoudig van alle mensen.

Mijn mama opent haar mond
om zich te laten voeden.
Ze grijpt mijn hand zo anders vast,
als nooit te voren-
zij heeft haar schuld reeds afbetaald.

Mijn mama is niet meer bang,
ik hoef geen angst te sussen-
wij zijn veilig wat er ook gebeurt,
er zijn altijd mensen en god in hen
om voor haar te zorgen,
omdat ze het verdient,
maar dat zijn niet haar woorden.

Mijn mama   (Uit: Gedichten over mijn moeder)  (februari 2017)

Mijn mama roept,
heel zachtjes wekt zij mij
uit de verte uit mijn slaap.
Het gekooid bed staat in de kamer.
Zij fluistert gekromd 'vader, moeder',
omdat zij niet meer schreeuwen kan.

Mijn mama is klein geworden,
gekrompen kind, terug bij af,
met ondeugd in haar ogen,
precies zoals dat enfant terrible,
waar ze als volwassene nog over sprak.
Ik zie haar nood verhuld zoals zij
in haar jeugd verlaten verstoppertje
speelde voor 'hoe het hoort'.

Mijn mama, de losbandige,
roept: 'Ik ben de baas'.
Ze vergist zich in het zusje,
mijn mama eet haar moesje braaf
met slap, servet mag zij nu smullen
Misschien word ik volwassen,
zijn de rollen omgedraaid.

Na het plassen, voor het slapen,
een nieuwe nacht, lees ik psalm 139 hardop
en 103, ik kan niet troosten, wij immers
zijn vergankelijk als het gras–
als de wind waait zijn wij niet meer.
Zo heb ik dat van jongs af aan geleerd.

Als kind las mijn mama de begraafplaats
waar haar dode zusjes in kistjes lagen,
tegenover de strenge pastorie, waarvoor
een boom doorkliefd door onweer,
Met de donder kerfde het 'Gedenk te sterven'
zich op jonge leeftijd in haar ziel.
Het leven was heel ernstig, maar nu niet meer.


Als de bescherming wegvalt, vergankelijkheid

Talitha Koemi  (Meisje, sta op!)  (2016)

Een mooi eerlijk mens met grote glanzende,
niet overdreven ogen, spiegel van de ziel
en hoe zij met woorden ingetogen open,
zonder schaamte ziek zichzelf ontblootte.

Een kind van achtentwintig jonge jaren,
met een hart vol lente, lichaam van winter,
stijf van de kou en dronken van morfine,
geen groen blad, opsmuk meer te verliezen.

Als ik Jezus of de zomer was, zou ik zeggen:
Talitha Koemi, jong ding, ontspring, bloei nog
honderd dagen, maar wonderen bestaan niet.

In het kleine zal ik gretig voor haar zorgen
tot het niet meer kan, zij is liefde, eenzaam
opgesloten in een hoekje midden in de stad.

Partner in de dood  (september 2015)

Ze schreef, deelde met mij
een poëtisch in memoriam
van 'haar partner in de dood'
Joost Zwagerman.

Aan hoeveel mensen
leven wij dagelijks voorbij,
die vervreemd zijn van het leven,
gewoon in onze maatschappij?

Op een hoek van mijn bureau
ligt ongelezen een boek;
kritiek op deze tijd,
“Gij zult gelukkig zijn”.

De eeuwigdurende ellende
zoals het nieuws ons dagelijks brengt
waar we ongedeerd van schrikken
doet een beroep op jou en mij-

de dood is zoveel dichterbij.

Zijn is  (augustus 2016)

Zorgeloos zijn,
stevig staan te midden van het lawaai
zijn is je gave, overal

Zijn is
de basis, het begin van beweging,
gave wordt gift en overgave



Water waar de zon op schijnt, in beweging

  

Het leed van mensen, vaak achter muren

Het denken aangetast  (oktober 2012)

Zit je eindelijk zoals
door hip spiritueel Nederland
koortsachtig gewenst
volwaardig in de flow,
blijkt je denken aangetast,
het enige wapen
in de strijd van weke krijgers,
schild tegen alles ongewenst.

Dat er nog steeds
ergens gedacht wordt,
niet eens zozeer door mijzelf,
maar zomaar ergens
op een onbewoond eiland
in mijn hoofd, daar formeren zich
tegendraads nieuwe wegen,
stap voor stap mijn eigen labyrint –
veiliger dan ooit.


1993  (1993)

De werkelijkheid is --
om niet begrepen te worden
-- sluit ik mijn deuren af
voor horden
pijn.

De droom is --
afgelopen, ten einde geraakt
-- is de mogelijkheid
voor hopen
levenslust.

Nu ik de sleutel heb weggegooid,
zit ik hier in mijn noodzakelijkheid
Ik beweeg mij niet,
want er is voor mij
nog maar een plaats.

2007  (2007)

De werkelijkheid is --
niet om begrepen te worden
-- heb ik je nodig
om te ontluiken
als een bloem.

De droom is --
begonnen, opnieuw opgevat
-- is de mogelijkheid
voor hopen
levenslust.

Nu ik de sleutel heb teruggevonden,
sta ik oog in oog met mijn wereld.
Ik haast mij op weg
want er is voor mij
ruimte.



Lotta Blokker, Atlas (2005) De Buitenplaats, Eelde
Waartoe dan en waarheen?


Vasthouden en loslaten  (januari 2014)

Vasthouden wil ik je
alsof je bezit bent,
opdat ik je los zal laten
elke dag
als ik veilig
in mijzelf opgeborgen
stervend voor je dans.
Omklemmen wil ik je
alsof afhankelijk
jij adem voor mij
die mij beweegt.

Loslaten wil ik je,
je meegeven aan de wind
de grote adem
om
trots en vrij te mogen zijn
alsof onafhankelijk,
eigen adem, bladstil
geen storm teveel.

Er is een midden
buiten de eigen wil om
dat ervoor zorgt
dat ik vasthoud
en loslaat tegelijk
als in een woordendans,
waarin ik staande storm
en chaos overzie,
om het wilde hart te kennen
daar waar liefde woont en angst.
Veilig is het daar en alles goed,
het ademt alle kanten op.

Wind, hier ben ik,
waai door mijn kieren
neem mij mee
op reis naar mijzelf.

Dat kind  (2010)

Dat kind
de regels, de gebogen rug
maar nu rechtop, de regels
heersen hoe dan ook
moeder.

MS  (september 2016)

Mijn zus zit de hele dag
slechts op één plek,
beweegt niet meer,
laat haar hoofd zo zwaar
als lood maar hangen -
er zit niets anders op.

Haar handen zijn zo teer,
ze berusten op haar schoot -
haar haar, zuster! half gekamd,
schiet als vuurwerk alle kanten op
alsof zij zichzelf zo nog laat zien -
voor de rest is zij verborgen.

Achter haar donkere bril
ziet zij zelfs de vlekken
op haar kleding niet meer,
en alles doet pijn, zelfs het licht
Mijn zus die was heel knap,
begaafd, maar nu niet meer,

ze legt zich bij haar ziekte neer.



Zonlicht, zacht of scherp?

Zachtheid  (januari 2015)

Zachtheid, een kracht:
alles kan een open mens,
zo'n huis zonder muren
door zich heen laten gaan,
ontvangen totdat hij
nauwelijks nog zelf bestaat.

Zachtheid, een gevaar:
alles kan een open mens
zo'n huis zonder muren
door zich heen laten gaan,
ontvangen totdat hij
nauwelijks nog zelf bestaat

Zachtheid zoekt hardheid
om volkomen te worden,
een kracht in zichzelf, want
wat is een huis zonder muren,
een boom zonder wortels,
een mens zonder huid waard?
Wat is een boek met letters
die zweven? Wat romantiek
zonder realiteit? Ik geef je
mijn zachtheid pas binnen
vier muren... pas maar op,
als het moet ben ik keihard.


Angst van de helpende  (september 2013)

Angst ontdek ik in mij
als het leven dat geen leven is
mijzelf wil afpakken van mij,
als in zorgen zonder uitzicht
de tijd langzaam verglijdt.

Zoveel mensen geholpen
tot armoede aan toe
Geruimd rotzooi van anderen -
ik ben liefde geen verlengstuk,
verlengstuk zijn dat is taboe.

Leeg zuigt mij de angst
dokter, de bodemloze putten,
geschonden mensen die ik
elke dag voor ogen zie
slaan gaten in mijn ziel
die ik bedek met pleisters.



Roze bloem, kwetsbaarheid als kracht

Kwetsbaar  (december 2014)

Ik voel me grenzeloos lenig
geen grenzen geven mij aan,
dansen doe ik zonder lichaam -
mensen ingekaderd en wel
zouden wel eens jaloers op die
magische kunst kunnen zijn -
ik ruik naar de vrijheid
die zij missen.

Ik voel me kwetsbaarder
dan ooit te voren, mijn denken
aangetast, nog even dan
zal mijn hoofd wel barsten.
Als ik ben uitgedanst over
de wijdse vlakte, verdeel ik mij
over de wereldzeeën als as -
dan is het eindelijk stil in mij
en iedereen tevreden

De mensen hebben geen idee
wat leven zonder grenzen is,
wat er gebeurt als je niet
kunt stoppen met bewegen.
Onwetend dromen ze van alles,
dromen is het beste alternatief -
maar tastbaar geluk
groot genoeg voor een kleinmens
wordt gewaarborgd in beperking.

Lege handen  (december 2015)

Is het erg dat ik hier sta
zo bloot en en publique
om gedichten voor te dragen -
ik ben sinds jaar en dag
geen dichter meer.
Ik sta hier,
in mijn broekzak
tussen kruimels
en gedroomde knikkers
vond ik mijn laatste woorden -
die strooi ik in het rond
met een mond vol tanden.

Is het erg dat ik hier sta
zo bloot voor jou?
Ik sta hier,
mijn volle hoofd barst
van wijze gedachten,
mijn hart tikt
onverstoorbaar door,
maar onbereikbaar -
ik heb je lief, maar toch
sta ik met lege handen.