Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens


Gedichten, Margrethe Venema (2010-2018)

Hooggevoeligheid, La condition humaine en het lijden


Sinds een jaar of vier valt het mij op dat hooggevoeligheid een hot item is, waarvan in de media veel gewag gemaakt wordt, of althans in meer spirituele kringen – waarschijnlijk omdat het type hooggevoelig zich daar vaak thuisvoelt, en omdat spiritualiteit en mindfullness oplossingen bieden voor problemen die hooggevoeligheid met zich meebrengt. Maar misschien meer nog omdat hooggevoeligheid in meer spirituele kringen als een bijzondere gave gezien wordt en dus de bevestiging biedt waar ook hooggevoelige mensen vaak naar snakken. Je bij een spirituele groep aansluiten kan als thuiskomen voelen.
Ik onderscheid mij als hooggevoelige in die zin dat ik sterke behoefte voel aan realiteit en stevigheid. Niet de zachtheid, invoelendheid, beïnvloedbaarheid en wankelbare grenzeloosheid in deze, die ik de afgelopen jaren onderzocht en aan de lijve ondervonden heb, voeren op dit moment de boventoon, maar de behoefte aan rust en kracht in en duidelijkheid omtrent mijzelf. Een beetje méér ego in plaats van minder...
Kwetsbaarheid en gevoeligheid zijn natuurlijk niet specifiek eigenschappen van hooggevoelige mensen, maar maken per definitie deel uit van la condition humaine. Achter maskers van ongevoeligheid, rationaliteit of handig communiceren gaat evengoed het breekbare schuil. Daarmee om te kunnen gaan vereist (zelf)inzicht, (zelf)relativering én stevigheid, maar in de eerste plaats een aanvaarden van zichzelf en van de vergankelijkheid. Daar waar alles voortdurend aan verandering onderhevig is, is leven 'een voortdurende sterven en opnieuw geboren worden'. Ook het fenomeen 'hooggevoeligheid' is aan verandering onderhevig. Het is als eigenschap niet continue even sterk aanwezig en kan zich in combinatie met andere factoren op verschillende manieren manifesteren. Het hoeft niet per se iets zwaks, iets noodlottigs te zijn.
Een van de dingen die mij helpen om de voeten op aarde te houden is het lijden van de mens. Het lijden drukt de mens op een andere manier dan hooggevoeligheid op het feit van zijn eigen kwetsbaarheid. In mijn ogen vereist het lijden een antwoord, niet alleen in een houding en een bewustzijn, maar vooral in de handeling. Daar waar in de spiritualiteit vaak op zweverige wijze aandacht aan verbinding gegeven wordt, doet het lijden een heel concreet beroep op mijn betrokkenheid bij anderen.
In het lijden speelt juist het op zichzelf teruggeworpen zijn een grote rol. Niet de verbinding en de eenheid tussen mensen regeert daarin, maar het afgescheiden zijn; de eenzame mens en zijn ontoereikendheid komen hier om de hoek kijken. Wegzweven en je afweren helpen daarbij niet. En je terugtrekken of je eigen geluk op de eerste plaats zetten ook niet. Er zijn realisme en moed voor nodig om het lijden onder ogen te zien en ook om je eigen lijden te doorleven. Een zekere hardheid, waar het me de laatste paar jaar door hooggevoeligheidsperikelen aan ontbrak, komt daarbij van pas. Ik zou deze vorm van hardheid graag helderheid willen noemen; helderheid zoals we die aan de zon toeschrijven, die helder en scherp tegelijk kan zijn. Helder licht scherpt immers ook de schaduwen... het is onmogelijk om als je helder ziet de donkere delen van het leven te ontkennen.

De consequenties van het kijken naar bloemen (2016)

Het nu en nietsdoen in het bos,
de zon schijnt en de vogels hippen
door de tuin die bos is, niet van mensen.
Ik volg het licht en of het de akelei raakt,
paars en wit, die ik in halfschaduw plantte.
Trillend als de wind, geruis van naalden,
heb ik als God hun plekje vastgesteld.
Ik wacht af hoe ze het zullen doen,
wat het lot hen brengt in zon en schaduw,
maar bloemen denken niet aan winter.

Kijken naar bloemen heeft consequenties,
men zegt dat daar waar het wringt,
kunst en literatuur beginnen,
maar de bomen ondergedompeld in licht,
de bloemen vogels die waarachtig zingen,
de paarse en witte akelei weten van niets.
Als ik romanschrijf maak ik mij schuldig,
getuig ik van pijn, maar leef ik niet.
Schrijven, meebouwen steen voor steen,
brengt me in conflict met bloemen.

Het nu en nietsdoen in het bos lost alles op,
er is geen reden, geen aandrang meer,
tegemoet te komen aan het menselijk tekort.
Cultuurfanaten zoeken zich suf als ik,
in kunst en literatuur, in dadendrang,
zonder ooit het paradijs te vinden.
Oh, als je op het podium je spel wilt spelen,
je uitdrukken om antwoord te geven,
sluit dan je ogen voor wiegende bomen,
sluit dan je oren voor het ruisen van de wind.


Bezet  (augustus 2018)

De angst in haar stem,
de lach overheersend
door de telefoon,
alle emoties zo sterk,
muur om haar onschuld heen.

Zij is het kwetsbaarste,
het liefste dat ik ken
ondanks het ongetemde
verwoesten zonder te weten
waarom, ondanks

het hete vuur
dat het onbeschermde hart beschermt,
al voelt zij zich tegelijk zo schuldig,
alsof zij zich aan het recht van anderen
voortdurend vergrijpt.

Haar lichaam is bezet met wonden,
zij roept zichzelf onzichtbaar uit tot melaats
en alle gezonde mensen wijken
en ontwijken door haar te ontwijken
evengoed hun eigen kwetsbaarheid.


Sociale fobie  (mei 2017)

Het is zomer, angst bekruipt mij om tussen woekerende schaduwen
op stap te gaan, mij te baden in zonnestad,
waarin jij dierlijk naar billen kijkt en meisjes naamloos swingen.
Nu ik alleen ben zonder steun om naar de film, romantisch samenzijn
me niet meer bekoort en dat soort dingen -
Nu ik naakt uit mijn nachtdienst viel waarin stilte mij omarmde -
weiger ik langer de tuin nog in te gaan om voor de ogen van,
om onder buuurmans voeten vijandig het hoge gras weg te maaien,
ik weer zijn stem, die door mij snijdt, omdat

zoveel moet, het grasperk, de wereld vies van verplichtingen, de lucht loodzwaar,
een reden om mijn eigen plek in te nemen, vierkante decimeter onder mij.
Maar het lawaai, muziek uit een dakloze auto, stemmen, kinderen en mannen
voor wie geilheid als een jaquet past; of het niet beter zou zijn dan
om ook mijn ramen te sluiten en het laatste wat ik liefheb buiten mij?
Ik hoor de stille wind, om vijf uur zal ik een pragmatisch mens bellen,
advies van buiten uitnodigen in eigen huis.


Gezichtje, of de kwetsbaarheid van stenen


Eén grote ruimte  (juli 2018)

Ik beweeg mij lam in de ochtend
omdat er iemand in mijn wereld komt
om daar de boel op stelten
Of eigenlijk is het zo dat ik bedreiging voel,
de mensen zijn zo vreemd geworden
ik kan er niet meer bij, de wezens die ik
in mijn lichaam hoofd dan tegenkom
nemen mij in, zodat ik reis buiten mij
zo dat ik verdwaald achterblijf.

Er zijn deuren uit hun sponningen gesprongen
er is slechts één grote ruimte in mij
ik kan geen kamers meer onderscheiden,
niet meer plaatsen wat waar hoort,
voel ik mij verloren zonder grenzen.

Partner in de dood  (september 2015)

Ze schreef, deelde met mij
een poëtisch in memoriam
van 'haar partner in de dood'
Joost Zwagerman.

Aan hoeveel mensen
leven wij dagelijks voorbij,
die vervreemd zijn van het leven,
gewoon in onze maatschappij?

Op een hoek van mijn bureau
ligt ongelezen een boek;
kritiek op deze tijd,
“Gij zult gelukkig zijn”.

De eeuwigdurende ellende
zoals het nieuws ons dagelijks brengt
waar we ongedeerd van schrikken
doet een beroep op jou en mij-

de dood is zoveel dichterbij.

Voor mijn personage S.  (februari 2016)

Voordat de stroom wild water
ophield aan je strand te spelen
en de wind nog door je kruinen
lucht aan zielloze dingen gaf

Voordat een overtolligheid
aan informatie je brein bestookte
en er nog wachters aan de deur
om 't onzuivere af te weren

Voordat de overgave aan het nu
zoals in alle bladen aangeprezen,
het denken nog niet aangetast
in evenwicht met voelen

Voordat de wereld je bezocht
door poriën heen je huis vermengde,
dreef je als een onzichtbaar eiland
verbonden onder water aan input voorbij

Voordat je aan land kwam en het anker,
de haven zich installeerde op je kust
en uitkijkposten verrezen in je brein
om de Tijdgeest te verhinderen

was je maagd met mij op blote voeten
schreven zich de woorden witregels
zich zonder meer vanzelf in 't zand



Water waar de zon op schijnt, in beweging

  

 Het leed van mensen, vaak achter muren

Manipulatie  (december 2017)

Er is een spin met duizend poten
door mijn oog in mijn hoofd gekropen
met aan elke poot een vals lichtje
om het veilig van mijn gedachten
te verblinden, te ontbinden, hij is
zo ontzettend handig met zijn
gereedschap, verwarde mijn brein, –
ik ben een vreemde geworden.

Past u alstublieft op voor
duizendpotige spinnen,
ze zijn eropuit u te verslinden,
tot nul te reduceren, ze weven hun
web dwars door je hersens, zodat
je in jezelf voor maanden dwaalt
om tot slot de clou te vinden;
en denk erom, ze hebben
een voorkeur voor aardige meisjes.


Kennis   (januari 2015)

De eenzame man zoekt
in peilloze gedachten
een aanknopingspunt,
een poort waardoor
hij kan ontsnappen.

Hij vult zijn voorraad
trouw aan met gegevens
uit kranten, sociale media-
ervaringen had hij al zat,
in elk zocht hij een
leidraad om zichzelf
aan op te hangen.

Op een dag ontdoet de man
zonder profiel zich dapper
van zijn Jozefmantels,
pelt zichzelf als een ui af,
graaft zichzelf in stilte,
naakt begroet hij de dag
om dan, als de wind woest
opsteekt, het weefgetouw
weer op te pakken.

Hij verzamelt, breit zich rot,
het is zijn way of life
om de eindjes
aan elkaar te knopen
tot hij zich een geheel voelt,
een kunstwerk,
een deken misschien
om zijn leegte in te wikkelen,
dan pas mag hij dood.



Zonlicht, zacht of scherp?

Valse beloften  (oktober 2016)

Het bibbert in mijn binnenste,
geen laag van sedimenten heb ik afgezet.
Bang om alleen te zijn te blijven
heb ik mij leeg geschraapt
om mij onderworpen te vullen
met vertelsels, sociaal gedrag.

De populieren schudden
voor mijn raam hun bladeren uit,
bezingen iets wat ik verloren ben.
Naakt wil ik mijn wezen niet bekleden,
voor jou doen alsof ik deel
van opgeklopte zomer ben.

De stad wacht in volle glorie-
in valse beloften ondergedompeld
eten mensen klaargestoomd pakketjes
opsmuk met geërodeerde room
en voorgeschreven wet
om opgelicht erbij te horen.

Het is logisch dat de bladeren schudden
van het lachen om mijn aangepaste ik.
Het bibbert in mijn binnenste,
zelfs mijzelf bezit ik niet, ik geef mij
getergd over, waai uitgesleten weg,
in de stad eet ik het spel der lusten.

Talitha Koemi  (Meisje, sta op!)  (2016)

Een mooi eerlijk mens met grote glanzende,
niet overdreven ogen, spiegel van de ziel
en hoe zij met woorden ingetogen open,
zonder schaamte ziek zichzelf ontblootte.

Een kind van achtentwintig jonge jaren,
met een hart vol lente, lichaam van winter,
stijf van de kou en dronken van morfine,
geen groen blad, opsmuk meer te verliezen.

Als ik Jezus of de zomer was, zou ik zeggen:
Talitha Koemi, jong ding, ontspring, bloei nog
honderd dagen, maar wonderen bestaan niet.

In het kleine zal ik gretig voor haar zorgen
tot het niet meer kan, zij is liefde, eenzaam
opgesloten in een hoekje midden in de stad.


Roze bloem, kwetsbaarheid als kracht


De grote leegte  (juli 2018)

De zomer doet al drie jaren pijn,
ik kom er niet meer binnen –
alsof de zon een artikel is
om te consumeren – de wereld
met al zijn schitteringen.

Ik zal mij wel geconsumeerd voelen
een speelbal van het neonlicht,
ik reken schaduwen tot mijn vrienden –
niet schel, maar boterzacht omringen zij
mijn helder hart van binnen –

Jij was de zomer, je nam haar mee
bezong haar, vulde haar in-
Je leefde mij als droom,
ik brak af op de maat van jouw illusie

herfst beschut mij, de grote leegte
winter vertedert meer dan bloemen.

MS  (september 2016)

Mijn zus zit de hele dag
slechts op één plek,
beweegt niet meer,
laat haar hoofd zo zwaar
als lood maar hangen -
er zit niets anders op.

Haar handen zijn zo teer,
ze berusten op haar schoot -
haar haar, zuster! half gekamd,
schiet als vuurwerk alle kanten op
alsof zij zichzelf zo nog laat zien -
voor de rest is zij verborgen.

Achter haar donkere bril
ziet zij zelfs de vlekken
op haar kleding niet meer,
en alles doet pijn, zelfs het licht
Mijn zus die was heel knap,
begaafd, maar nu niet meer,

ze legt zich bij haar ziekte neer.

Lege handen  (december 2015)

Is het erg dat ik hier sta
zo bloot en en publique
om gedichten voor te dragen -
ik ben sinds jaar en dag
geen dichter meer.
Ik sta hier,
in mijn broekzak
tussen kruimels
en gedroomde knikkers
vond ik mijn laatste woorden -
die strooi ik in het rond
met een mond vol tanden.

Is het erg dat ik hier sta
zo bloot voor jou?
Ik sta hier,
mijn volle hoofd barst
van wijze gedachten,
mijn hart tikt
onverstoorbaar door,
maar onbereikbaar -
ik heb je lief, maar toch
sta ik met lege handen.