Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens


Gedichten, Margrethe Venema, (2012-2015)


De gedichten die ik in deze periode schreef kenmerken zich door een snelle stroom van woorden. Gevoel was leidend. Woorden kwamen vanzelf. Qua thematiek gaan veel gedichten over het verlangen naar zuiverheid en leegte. Ik verlangde ernaar om ego-loos te schrijven, als het ware buiten mijzelf om. Het grenzeloze waar ik herhaaldelijk mee te maken had, borg ook een gevaar in zich. Het resulteerde soms in drijven, in verdwijnen. Zodra ik mezelf helemaal losliet, verloor ik ook aan stevigheid. Ik geloof dat leegte de basis is voor creativiteit, maar ook dat leegte een verbond moet aangaan met de volte of met het alles, waarbij creatieve energie in banen geleid moet worden. Als dat gebeurt kan een mens tot concreet resultaat komen.

Aequo animo (met gelijkmoedige geest)  (juni 2012)

Bijna water zegt het woord,
niet besmeurd maar vrijgelaten,
flonkerende rivier op aarde-
geen mensenhanden hebben haar
ooit aangeraakt-
het blanke water waar Vasalis'
ogen zo naar dorstten,
ooit in een gedicht
over rampspoed en woestijn.
Alleen de ziel kan, zo zij verlangen kent,
teruggaan naar de bron,
zonder zichzelf op te lijnen,
jeugdig kabbelend als verjongde rivier.
Oh, geen boten varen daar meer,
geen mensen wassen er hun handen,
er wordt niet in gepist, niet in gevist,
geen heiligheid, geen as over de rivier,
geen grote vissen die de kleine eten,
geen doodgeverfde olievogels-
niets van dat, mijn ziel keert,
als nog nooit bevlekt geweest,
terug naar achterhaalde dromen.
Mijn ziel, bijna water, waterziel,
aqua animo, bij vingerknip en overgave,
kinderdoop fluistert mij albus in albis in:
nieuw leven is altijd daar.


Libbe Venema

Verder dan de tijd  (juni 2012)

Heel en niet half,
half en niet een tiende-
houd me vast zegt het moment,
laat me niet vallen.
Verdrinkend in de tijd
klinkt zijn echo na in eeuwigheid.
Dringend wil de druppel die
voortdurend in de stroom vergaat,
gezien gehoord worden,
nogmaals, dat voortdurend sterven,
bevalt me niet, wendt het moment zich
een korte stonde tot de wind-
het doet me denken aan niet bestaan,
aan ongemerkt voorbijgaan,
aan niets dan lucht en ledigheid.
Nu, gevoelens voeren altijd
verder dan de tijd
gaan dwars door tellen, slagvaardig
nemen ze de muren van seconden strijd-
ze schrijden onvervaard voort
over uren in de richting van oneindigheid,
nemen geen afscheid, maar dragen alles mee-
tot aan de rand van leven gaan zij
hun eigen smalle weg
om dan de regenboog
lichtsnel te halen als een trein.

Alleen voor kinderen  (september 2012)

Terug naar de zee, ik hoefde
niets te wagen, je nam me
aan je hand, mijn teergeliefde,
de zilte bron van leven in
Je tilde me op zonder gewicht,
met water omkleed lag ik fluweel
herboren in je armen, je was mijn
moeder ook een man mijn zoon,
een vriend die ritueel verlangde
naar zoutwaterzoenen.
Terug gingen wij naar zuiver
koestering met goede smaak,
ach aankijken deed ik je niet-
wij zagen met andere ogen,
wij waren deel, zonken samen
als geheel, dieper nog dan glans
van irissen reiken kan naar
bodem bron, verloren waren wij
in initiatiedans van samen zee,
waterzacht was onze vacht,
transparant als harteglans gleed
de waterweg over onze borst
door onze huid dwars naar binnen,
bereikte helderheid ons wezen.
Vloed golfde teder door ons
heen, tot aan ons hart en nam
ons terug als kinderen.



Karin Ingeborg Loenen, monotype, 2008

Gewoon een mens  (oktober 2012)

Dat ik gewoon een mens mag zijn,
er zij licht, ik hoef niet te verheffen,
geen boegbeeld te zijn van iets dat ik niet ben,
ik hoef niet zoals verondersteld,
niet sprankelziek, geroemd god te worden
van wat men noemt 'mijn bestaan',
niet opgehangen, neergelaten, opgelaten
aan strenge touwtjes van geweten,
als een ballon die altijd op knappen staat,
omwille van Zeus, een vlam, idool,
een man, een vrouw, een rol, een baas.

Ik ben geen schaap, geen roedeldier,
geen vis, al ga ik wel naar levensschool,
mens ben ik, ik kies zelf of ik luisteren wil
als een gehoorzaam paard.
Men noemt het krachtig, trouw als hond,
een beetje kierewiet, ik kan echter staan,
niet trots maar ongehinderd als een reiger
op één dunne poot, zomaar als yogi
schijnbaar niemandal ben ik beperkt mens.

Maar als zon mij dwars door huid ontdooit
tot in de diepste vezel mij beroert,
oh dan voel ik mij god, godin, welnee,
als mens ben ik geroepen door mijn soort,
door evolutie, mens ben ik als god zo trots
met vlammende lach spontaan,
ondanks de snavel of gebroken poot.
Ik ben vastgeklonken vrij van moeten,
mens onder mijn getooide huid,
voelbaar levensvatbaar stroomt mijn bloed,
ik ben vandaag een beetje ongesteld.

Verdronken  (november 2014)

Hij drijft op zijn rug,
zwelgt peilloos in gedachten.
Een bad is hij om
overstroomd te worden
door zee, een schaal
om louter te ontvangen.
Willoos, zonder pretenties,
voor louter plezier-
golven nemen hem mee.
Kopje onder zinkt hij dieper,
man verdrinkt in zee.

Verlangen  (juli 2015)

Hoog is de hemel,
hemelhoog
Wij zoeken elke tijd
opnieuw naar treden.
De weg verdwijnt geruisloos
tussen staven van materie,
het hart is niet van staal,
de weg na al die eeuwen
nog steeds maagdelijk
en onbetreden.
Ons verlangen torenhoog
stijgt tegen beter weten op,
tot zover wij wolken
kunnen grijpen
verliezen we de grip.


Kunst uit Kröller Möller, detail

Ik ben  (januari 2015)

Ik heb geen woorden
om te vertellen wie ik
vandaag eventueel ben.
Ik ben een vel, een huid,
een maskerade,
één van vele buitenkanten
voor jou.

Er wonen talrijke geesten
onzichtbaar in mij
om caleidoscopisch
kleurrijk alle
facetten van de wereld
zwart-wit aan te grijpen,
om mij in te leven,
aan te sluiten,
piano te spelen
het vluchtig moment.
Nu vind ik de woorden:
Samen met mijn geesten
-ze zijn niet van mij,
maar ook van jou-
ben ik poreus de wereld,
een veelkoppige slang.

Verward  (november 2015)

Moeder,
ik ben mijn eigen naam vergeten,
verloren mijn adres.
Wanneer ben ik geboren?
Kwam ik werkelijk uit jou voort?

  


Jan Verschueren, Schoon schroot

Terug  (november 2012)

Zuiver blijven,
de bladzijde wit houden,
tekenen en schilderen,
openen in kleur-
dan de letters wegdansen
terug naar het naakte lijf,
naar niets wordt verwacht,
niets is gezegd of uitgesproken.
Zo helder als kristal zijn wij
als we de regels overslaan
en het script uitsluiten,
als we teruggaan
naar wat nog niet bestond,
zo wit, nog ongeboren.

De ontheemde  (december 2012)

Eén van weinigen,
een moedig man is hij,
danser op hete kolen,
opgeheven tot vage vlam.
Schim, tussen muren niet
begrepen, de wanhoop reeds
voorbij, het denken
spookachtig opgelost,
de lamp van de zovelen.
Hij volgt ontbonden regels
witwegen die zijn derde oog
hem scherp laat zien, zijn ziel
daalt af klimt op, verwaait
doorheen berg en dal.
Zoals een vogel uit vuur phoenix
en een rups tot vlinder wordt,
volgt hij ijl zijn eigen visioen
zijn lot tot in bezijden verten.

Zijn pad dwaas lichtvoetig,
zijn adem dampend boven
de woestijn, tot aan zijn
bestemming volgt hij.
Hij weet niet anders dan
het veilig transparant oase,
fata morgana, godenhuis,
waar hij moet zijn, wacht
om zijn bestaan te vieren.


Marjan Nagtegaal, Run baby, run, 2013

Zijn worden zijn  (juni 2013)

Naakt en bloot zal ik in mysteriestilte
vol van zon en maan,
verheugd verpakt in lichaam voor je staan,
de last van twijfel afgevallen,
het donker uiteengevallen,
er rest ons niets dan ingehaalde tijd.

Lichtjaren energie als water kronkelend
eeuwig stromend tot aan de bedding
van de zichzelf barende rivier,
zijn onderweg naar ons, geboortekinderen,
als maangewaad om ons met strelen stralen,
wiegelied van liefde in beweging aan te kleden,
van opgang tot aan ondergaan.

zolang zullen wij rustig drinken, proeven
van de rivier van zonnestralen,
wij zullen naakt gekleed met dans
als bloemen bloeiend eeuwig vergankelijk
zijn worden zijn,
en gelijkertijd stil van binnen en van buiten
zullen wij samen met allen alles
atman en brahmaan, iedereen en niemand zijn.

Kwetsbaar  (december 2014)

Ik voel me grenzeloos lenig,
geen grenzen geven mij aan-
dansen doe ik zonder lichaam.
Mensen ingekaderd en wel
zouden wel eens jaloers op die
magische kunst kunnen zijn-
ik ruik naar de vrijheid
die zij missen.

Ik voel me kwetsbaarder
dan ooit te voren, mijn denken
aangetast, nog even dan
zal mijn hoofd wel barsten.
Als ik ben uitgedansd over
de weidse vlakte, verdeel ik mij
over de wereldzeeën als as,
dan is het eindelijk stil in mij
en iedereen tevreden.

De mensen hebben geen idee
wat leven zonder grenzen is,
wat er gebeurt als je niet
kunt stoppen met bewegen.
Onwetend dromen ze van alles,
dromen is het beste alternatief-
maar tastbaar geluk,
groot genoeg voor een kleinmens,
wordt gewaarborgd in beperking.




Geertje Geertsma, Zonder titel, 2015

Inzicht  (juni 2013)

Glashelder ben ik zonder woorden,
een gedicht stil in mijn hoofd,
het ritme dag en nacht ineen geweven
Totdat het haastig getik van een klok,
een automobiel die strijdbaar langssnijdt
door de lucht,
een kind dat huilt, een trilling in mij,
oproepen terug te gaan naar dat alles
wat men doopte, heilig verklaarde
in naam van de realiteit.

De eeuwige herhaling  (januari 2015)

Ik ben niets meer,
zo weinig als een hand
vol lucht waar de vogels
uit vervlogen zijn,
een vuilnisbak zojuist geleegd.
In het niets verwaai ik als stofje,
wind drenkt mij in mysterie,
blaast me nieuw leven in,
op God kan ik zonder lichaam
nog steeds bouwen.
Op een dag laat Hij mij
opnieuw geboren worden,
dan ben ik lichaam terug,
eenmaal opgestaan uit 't graf,
aangeland in de beschaving,
kan ik opnieuw beginnen
mij oeverloos te vullen —
gulzig eet ik mij vol
van goede schijn,
zoet zuig ik informatie op,
lekker en kleurrijk, ik kies
een dropveter om te verbinden
en maak een grap
waar iedereen om lacht.
Lustig knabbel ik aan de
de nieuwste hot items
alsof het borrelnoten zijn —
totdat ik moet overgeven.

Is er leven voor de dood,
of zijn wij allemaal hetzelfde?

Pessoa  (december 2015)

Wat als de realiteit,
het labyrint waarin we
onze eigen wegen kiezen,
het groen en geel van
onze beperkte blik,
wat als wij de waarheid
omtrent onszelf
niet wagen uit te spreken,
omdat hij te meervoudig,
te fantastisch voor woorden,
te schrikwekkend is?
Wat als wij slechts
een bevlieging zijn
van ongelijkmatigheid
en vrolijk wispelturig?

Wat als Pessoa gelijk had?
En wij rusteloos als bladeren
in de wind nu eens dit en
dan weer dat bezoeken,
nu eens zus en dan eens zo
proberen onszelf te zijn
totdat wij een rustplaats vinden.

Zijn wij zo vergankelijk
dat wij eigenlijk niet bestaan?

Stilte  (januari 2015)

In de stilte,
het witte vlak,
vormloos
zonder einde
en begin.
In dat niets,
dat nergens
zonder geluid,
het genot voor
mij alleen,
en toch verbonden
juist ja, in dat niets
zonder begeerte
ben ik met ik
en zonder mij
nog zoveel meer.