Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens


Het begin van onszelf (2011)


Er bestaan nog steeds mensen die beweren dat de met verstand begiftigde mens een afspiegeling van God is. Anderen houden bij hoog en laag vol dat de mens in de eerste plaats een dier is en door driften geleid wordt. Of het beest of de god in onze persoon de boventoon voert, hangt mede af van ons karakter, onze levensbeschouwing, ons (on)geloof in de rede, concentratie, stemming, alcoholpercentage in ons bloed enzovoort. Als je het zo bekijkt, zou je verwachten dat er in de huidige na-moderne wereld meer mensen zijn waarin het dier regeert, aangezien veel mensen het vertrouwen in de rede verloren hebben, concentratieproblemen veelvuldig voorkomen, er regelmatig gezopen wordt en 'jezelf zijn' vaak betekent dat je 'je gevoel', 'je hart' of misschien je 'begeerte' volgt. Je hoeft je allang niet meer te schamen voor je inhaligheid en het is raadzaam veel televisie te kijken, zodat je van plezier verzekerd bent. Iedereen kan zichzelf voorzien.
Aan de andere kant is er ook een hernieuwde belangstelling voor spiritualiteit, maar dan meer in de vorm van persoonlijke ervaringen en minder aan een kerk of een god gekoppeld. Spiritualiteit zit nog maar zelden aan een absolute waarheid vast, omdat het tegendeel van onze private overtuigingen ook voorstelbaar is. Er zijn zoveel verhalen die de ronde gaan.
Kunnen we in de na-moderne tijd nog van 'het wezen van de mens' te spreken, of kunnen we onszelf alleen als mix van en spanning tussen het dierlijke en het goddelijke, de driften en het bewustzijn, definiëren, als een fluctuerende lijn die meegaat met de deining van de AEX- index, de tijdgeest en andere externe invloeden? Dat is de vraag die ik me vandaag stel.

De stelling dat wij van de dieren afstammen, is natuurlijk door veel mensen verdedigd, net zo goed als men veelvuldig heeft geprobeerd te bewijzen dat God de oorsprong van alle dingen is, alsook ideeën die het midden tussen de genoemde tegenstelling houden.
Er zijn veel verhalen over menswording, waarvan in het christelijke Nederland het scheppingsverhaal uit de bijbel natuurlijk het bekendste is. De door God geschapen mens onderscheidt zich van de dieren. Het bijbelse argument daarvoor is dat God de mens op een andere manier dan de dieren geschapen heeft en dat in de rangorde van de schepping de mens als laatste komt. Hij is de kroon op Gods werk en wordt als rentmeester aangesteld. In het mensenleven dat op dat verhaal volgt, verwijdert de mens zich steeds weer en steeds meer van God. Vanaf het moment dat hij zich buiten het paradijs heeft geplaatst, is hij op zichzelf teruggeworpen en moet hij noodgedwongen zelfstandig keuzes maken. Niemand kan de mens nog tegenhouden om 'op de troon' van God' plaats te nemen. Hij zwaait met de scepter en neemt op aarde alle plek in, alsof God en/of de natuurwetten geen inspraak meer hebben.
In het traditionele geloof was het plukken van de appel van de boom van kennis van goed en kwaad de eerste zonde die de mens tegen God beging. Anderen hebben het omgedraaid en hebben het plukken van de verboden appel als een symbolische daad van bevrijding en emancipatie opgevat. De mens moest de vrucht wel plukken - hij was er voor bestemd zelf zijn keuzes te maken. Wat hij ook doet, zijn keuzes zullen gevolgen hebben, of deze gevolgen zijn geluk vergroten of niet. De mens is zelf verantwoordelijk voor wat hij doet.
Een wereldse variant van het ontstaan van de mens en de daarop volgende 'verdrijving uit het paradijs' kwam ik tegen in het boek Anatomie van de menselijke destructiviteit van wijlen psycholoog en ethicus Erich Fromm. Bij de menswording zoals Erich Fromm deze heeft behandeld, gaat het om de ontwikkeling van een natuurlijk en instinctief beginsel naar de mens die zich van zichzelf en de wereld bewust geworden is en daarom niet meer louter instinctief handelen kan, hoezeer hij er soms naar terugverlangen kan. Hij brengt dit in verband met de verscheurdheid, waarin 'de harmonie' van het voormenselijke bestaan of 'het paradijs' verstoord wordt door zelfbewustzijn, verstand en verbeelding. Deze nieuwe gaven brengen met zich mee dat de mens beseft dat hij er alleen voorstaat. Deze afzondering alsook de daaruit volgende eigen verantwoordelijkheid wekken angst en dienen zich aan als problemen die opgelost moet worden. 'Door zijn zelfbewustzijn beseft de mens zijn machteloosheid en de grenzen van zijn bestaan. Nooit is hij meer vrij van de tweespalt van zijn bestaan: hij kan zich, al zou hij willen, niet bevrijden van zijn geest en hij kan zich zolang hij leeft niet bevrijden van zijn lichaam.'
Vanaf dit moment in de menselijke geschiedenis, of dat nu bij wijze van spreken uit de zondeval van Adam en Eva of uit de ontwikkeling van dier tot mens voortgekomen is, is het niet meer vanzelfsprekend dat de mens onderdeel van de natuur is, net zo min dat het nog een vanzelfsprekendheid is dat lichaam en geest een eenheid vormen. Eigenlijk is vanaf dat moment niets meer vanzelfsprekend. Het antwoord op de vraag over 'het wezen van de mens' zie ik daarom onder anderen beantwoord in de existentiële verscheurdheid, als bestaansproblematiek waarop de mens zelf een antwoord moet bedenken om zich weer heel en gelukkig te kunnen voelen. Het is begrijpelijk dat uit deze onhoudbare toestand allerlei zoektochten voortkomen, waarbij de ene keer de nadruk op het dier in de mens, de natuur, het lichaam, het gevoel en de aardse werkelijkheid gelegd worden en de andere keer op cultuur, op de geest, het bewustzijn, het goddelijke en de droom. Dit verklaart ook waarom ontwikkeling bij uitstek een dynamisch proces is, waarbij de tegendelen nu eens met elkaar botsen om dan weer samen te komen of van eerste plaats te wisselen.
Hoe dan ook speelt steeds de vraag, wat de mens er aan kan doen om zich (opnieuw) thuis in de wereld te voelen en hoe hij zich van zijn isolement kan bevrijden. Op deze vragen heb ik een paar antwoorden gezocht, die deels vanuit mijn eigen reflecties afkomstig zijn en deels op de existentiële behoeften gebaseerd zijn, zoals Erich Fromm deze heeft geformuleerd.


Libbe Venema, Harmonie.






       Geboorte

Libbe Venema, Holocaust. Maximale
eenzaamheid. De rode lijn, soms nauwelijks
zichtbaar, duidt op hoop.






 Pluk die appel!

De ervaring van de mens dat hij niet langer vanzelfsprekend deel van de natuur en van de wereld uitmaakt, noodzaakt hem om zich opnieuw en vanuit zichzelf aan de wereld te binden en zijn eigen doel vast te stellen. Daar waar bij het dier het instinct het leidend beginsel is, is de mens op zijn hersens aangewezen waarmee hij tussen verschillende bestaanswijzen kan en gedwongen wordt te kiezen. Vanaf dat moment ontstaan de eerste vormen van religie en cultuur. Het is een kern van zingeving dat de mens zijn eigen leven op een bevredigende manier betekenis geeft. Dit kan hij echter niet zonder de steun van de anderen. In het besef dat hij er alleen voor staat, is de mens op een andere manier dan de dieren op soortgenoten aangewezen. De relaties die hij aangaat kunnen niet meer louter door het instinct geleid worden, de macht van het mannetje over het vrouwtje is niet langer vanzelfsprekend en seks dient niet langer alleen het doel van de voortplanting. De mens ziet er meer in en verlangt naar nabijheid als antwoord op zijn eenzaamheid. De behoeften aan samenzijn en erkenning zijn nijpend geworden.
Fromm schrijft: 'Het gevoel van alleen zijn en isolement leidt evenzeer tot geestelijke ontbinding als lichamelijke verhongering tot de dood.' Daarmee geeft hij aan hoe bedreigend eenzaamheid voor de mens is. Het is in mijn ogen zo sterk dat mensen er alles aan zullen doen om het gevoel van vervreemding en isolement op te heffen. Gaat dit niet via constructieve relaties, dan wel door middel van uiterlijke schijn, machtsvertoon of de nadruk op seks als louter lustbevrediging. Identificatie met iets dat buiten onszelf ligt, is een manier om op te gaan in 'iets groters', een mogelijkheid om te verdwijnen. Ik denk dan aan de identificatie met een dier, een rol, religie, een groep, met bezit of met iemand die we bewonderen. Erich Fromm legt aan de basis van deze al te menselijke gedragingen de behoefte aan eenheid met iets dat groter is dan onszelf. Daar waar er geen eenheid meer met de natuur ervaren wordt en de eenheid tussen lichaam en geest op losse schroeven is komen te staan, zoekt de mens alternatieven om zich niet verloren te voelen. Samenvattend dwingt het probleem van de existentiële onthechting de mens ertoe om zelf betekenis aan het leven te geven en is de mens bij uitstek op anderen/ het andere aangewezen. De oplossingen die een mens zoekt, gaan verder dan de vervulling van de primaire levensbehoeften en hebben betrekking op het geestelijk welzijn, wat niet wil zeggen dat elke gegeven oplossing het beoogde geluk oplevert.
Naast de behoefte aan eenheid heeft Erich Fromm het in deze over de behoefte aan oriëntatie en toewijding (doel) en de behoefte aan bindingen met de wereld. Daarnaast beschrijft hij in Anatomie van de destructiviteit ook de behoefte aan effectiviteit (adequaat iets neerzetten) en de behoefte aan excitatie (inspiratie, uitdaging, stimulering). De mens die vervuld wil worden, maakt daarbij gebruik van creatieve en destructieve methodes, waarbij hij ingaat op fundamentele behoeften dan wel op wat Fromm 'karaktergebonden begeerten' noemt als zijnde een secundaire invulling van de oorspronkelijke behoeften. Aan de grondslag van dit alles ligt nog altijd de basisbehoefte aan veiligheid. De 'uit het paradijs verdreven mens' is dakloos geworden en heeft zowel lichamelijk als geestelijk een nieuw onderkomen nodig. Zonder huis en zonder doel voelt de mens zich bedreigd. De mens is in dat opzicht fundamenteel kwetsbaar en zoekt controle om zich daarvan te bevrijden. Hij stelt zijn macht (het kunnen) tegenover zijn onmacht en zoekt nieuwe wegen.
Naast en samenhangend met de tweespalt, zie ik de kwetsbaarheid, die zich bij volwassenen vaak vlak onder de huid bevindt, als een ander stukje van het 'wezen van de mens', te beginnen bij het pasgeboren kind dat nog nauwelijks ergens toe in staat is. Ondanks dat het zich misschien nog sterk met de moeder als symbool van het alles verbonden voelt, is het volkomen weerloos en afhankelijk van de manier waarop de omringenden het opvangen en het al dan niet in zijn behoeften voorzien.
Wordt deze kwetsbaarheid erkend en daarmee aan 'het wezen van de mens' en de achterliggende behoeften tegemoetgekomen, dan is er niets aan de hand. Het kind kan zich dan vanuit een veilige situatie ontwikkelen. Met het gevoel dat het er mag zijn zoals het is, kan het leren om constructieve verbintenissen met anderen/ het andere aan te gaan en ook de vaardigheden die daarvoor nodig zijn vrijuit ontwikkelen. Een volwassene die rekening houdt met zijn fundamentele behoeften en zijn kwetsbaarheid accepteert, kan daardoor aan vrijheid, kracht en liefde winnen. In de werkelijkheid is het echter vaak anders.
Kinderen en ook volwassenen die zich niet erkend en opgenomen voelen, zullen er alles aan doen om het gevoel van verlatenheid te sussen. Zij ontwikkelen daarvoor allerlei slimme strategieën waarmee zij de controle over hun leven proberen te behouden of terug proberen te vinden. In plaats van de oorspronkelijke onvervulde behoeften, ontstaat vaak een behoefte aan macht die op allerlei manieren naar buiten komt. De een wordt vluchtig als water waardoor anderen geen grip meer op hem kunnen hebben. Hij slaat voortdurend op de vlucht en ontloopt zijn verantwoordelijkheid. Een ander wordt hard als een diamant, waar iedereen met eerbied omheen moet lopen. Hij ademt een gezag uit waar niemand tegen bestand is. Een derde wordt als een vernietigend vuur en provoceert de bestaande orde. Hij wordt een fanatiekeling. Een vierde wordt als een stormwind die zich door het leven haast om zoveel mogelijk geld te verdienen en de blits te stelen. Hij doodt de tijd. Een vijfde strategie bestaat eruit dat iemand zich terugtrekt in zijn eigen innerlijke wereld, waarin hij genoeg aan dromen heeft.
De oorspronkelijke gevoelens worden dan vergeten, de onvervulde behoeften en pijn worden aan de kant gezet. Eigenlijk is de mens op dit punt terug bij af - achter zijn levenshouding is hij even kwetsbaar en naakt als bij zijn geboorte. Als je hem aanraakt, deinst hij terug en verschuilt zich achter zijn vijgenblad. Je proeft zijn eenzaamheid en zijn angst en kunt er niets tegen beginnen. Hij wil niets van zijn kwetsbaarheid weten en heeft er voor gekozen om als een soevereine god te zijn die zich niets gezeggen laat, of anders vertoont hij misschien het impulsieve gedrag van een aap die zich geen raad weet of steekt hij zijn kop als die van een struisvogel in het zand.
Echt volledig mens-zijn begint wat dat betreft vaak weer met een uitkleden, met het afzetten van de maskers, het terugbrengen van doorgevoerde controle of vlucht en het relativeren van de rollen waarin we verzeild geraakt zijn. Het begint met de terugkeer naar het besef dat we behoeftig zijn en elkaar nodig hebben. In dit opzicht stelt de Franse filosoof Levinas dat alleen een behoeftige mens kan genieten en dat alleen een behoeftig mens oog kan hebben voor de behoeften van een ander.
Het is een opgave en een uitdaging waar je op in kunt gaan of die je naast je neer kan leggen. Hoe dan ook heeft de mens vanuit zijn verscheurdheid altijd een keuze om opnieuw deuren naar de wereld of naar de anderen te openen, hoe groot de angst en hoe klein de opening eerst ook mag zijn.
Je kunt altijd een nieuw bewustzijnsappeltje plukken, je ogen voor het verschil tussen constructief en destructief, echt en schijn openen en de sprong naar het authentieke mens-zijn wagen, waarin lichaam en geest, verstand en gevoel elkaar de hand schudden en je er mag zijn, zoals je in wezen altijd al geweest bent; een dier en een god ineen.