Margrethe Venema, schrijver, dichter, denker, natuurmens



De Droom (2010)


Ik zou zo graag door ogen willen kijken
vanuit de oudheid over het landschap van geschiedenis
waarin wij noodzakelijkerwijze gevormd zijn
In het hier en nu met kleurige brillen op onze neus
zijn we vergeten hoe de wereld er vroeger uitzag.

Ik zou zo graag met andere ogen willen kijken
vanuit de vergeten visionair, de verdroomde verlichte
vanuit het goddelijk geloof van mijn jeugd,
of vanuit een oude vrouw die op haar leven terugkijkt,
niet zo door mij zelf bepaald en liever vanuit de eeuwigheid.
Ik wou dat ik voor altijd nieuw was


Er knaagt voortdurend iets aan mij, namelijk dat ik alleen als ik droom, zie wat ik zou willen zien. Hoewel ik in de loop der tijd veel mooie beelden heb verzameld, irriteert het mij dat ik geen mogelijkheid heb om als god van het universum vanuit vogelvluchtperspectief de wereld te overzien om, zo stel ik mij voor, vervolgens opgelucht in lachen uit te barsten om het voortdurend heen en weer klotsen van ideeën op de golven van de tijd, waarin mensen en massa's op ontwikkelingen die juist in hun leven de revue passeren, anticiperen.
Sinds ik mijn van god en ouders gegeven geloof kwijt ben, waarin de mens toch al zo nietig was, zie ik pas echt in hoe beperkt de mens is. De behoeftige mens heeft een kader nodig, een bril of soms een koffer vol kijkers, waardoor hij alles wat hij tegenkomt een betekenis in het geheel kan geven, of dat geheel nu de grote wereld is, waarin een individu zich wil profileren of uit een huiskamer en de dagelijkse terugkerende thuiszorg bestaat.
De ouderling had nog zo gezegd dat als je het geloof vaarwel zegt, je wel eens in een zwart gat zou kunnen vallen en mijn wijze vader had mij nog zo gewaarschuwd voor de vervreemding. Ik weet nog dat tijdens de verrukkelijke val van mijn geloof het woord 'absurd' geregeld door mijn hoofd banjerde. Hebben wij mensen ideeën nodig om ons tegen de leegte te beschermen, of gaat het hier om de gedachte uit de moderne tijd dat het scheppen van orde in de chaos een existentiële behoefte is? Ideeën of andere invulling; wij moeten ons leven vormgeven.
Misschien streven we er sinds de teloorgang van de grote verhalen naar te kunnen leven zonder vastigheid of laten we ons net als onze voorouders dat ook al deden de zekerheden van het bestaan van buitenaf opleggen door ons op ons werk of gezin te storten, en anders wel in de drank. Misschien voelen we ons pas veilig als wij ons als druppel in de stroom loslaten. De oude filosoof Heracleitos hield ons al voor dat 'alles stroomt', een gedachte die ons postmodernisten goed van pas kan komen!

Voor een bepaalde tijd in mijn leven heb ik over de schouder van een vijftiger meegekeken die waarheid als een nostalgisch begrip zag. Tot de dag van vandaag wacht hij op een mystieke ervaring, zoals hij die in zijn jonge jaren in de branding van zijn leven beleefd had. Naar zijn zeggen betrof het een onzeglijk groot geluk waarin alles glashelder was en hij met de wereld samenvloeide. Hij vertelde mij dat hij dacht dat hij nu niet open genoeg meer was om iets dergelijks te ervaren en vreesde dat dat met zijn leeftijd te maken had. Aanvankelijk dacht ik dat hij een romanticus was, wat mij in hem aansprak. Later zag ik hem als een realist die zich toestond te dromen om zichzelf zo in stand te kunnen houden. Wij kunnen niet zonder dromen, zei hij.
Een andere vijftiger had het probleem van zijn bestaan opgelost door een kasteel te bouwen als de mosterdboom uit de verbeelding van mijn jeugd, waarin alle vogelen des hemels zich nestelden. Hij hield veel van feesten, maar voelde zich nadien gebroken, alsof er toch iets mis was gegaan. Hij vertelde mij dat hij de ideeën had willen uitsluiten, omdat die alleen maar ruzie opleverden. Ik dacht dat hij één van de vijftigers was die op wereldvrede uit was. In zijn jeugd was er veel gebakkeleid en ging het er nog om je gelijk te halen. Dat, zei hij mij, was net zo slopend geweest als het leven voor louter genot.
Een derde vijftiger in mijn leven vertelde mij over het belang van risico nemen. Hij was van mening dat als je eenmaal ontdekt hebt dat alles onzeker is, je je die onzekerheid maar beter kan toe-eigenen. Hij was een Don Juan, die alles wat hij aan vrouwenarmen ontdekte ook weer losliet. Misschien zocht hij zijn perfecte tegendeel, maar in het besef dat hij iets onmogelijks wenste. Misschien gebruikte hij de elementen als kaatsenballen, waarbij hij het spel tot levensmotto verhief en elke maatschappelijke waarheid met een korreltje zout nam. Ik dacht dat hij graag wilde uitblinken en dat hij daarom zo trouw de sportschool bezocht.
Voor mij persoonlijk is het een waarheid als een koe dat mensen niet in staat zijn absurditeit te accepteren. Ik geloof niet dat de naakte wereld leefbaar is voor mensen, tenzij je voor altijd zou kunnen vallen. Mensen kleden hun leven hoe dan ook aan en verbergen hun naaktheid angstvallig, zoals Adam en Eva dat ook al deden, toen ze het paradijs achter zich lieten. Het leven moet hanteerbaar zijn. Aangezien het zonneklaar is dat mensen willen leven, is hanteerbaar in deze misschien hetzelfde als zinvol. De grip verliezen is vermoedelijk het ergste wat een mens overkomen kan. Het is als het grote zwarte gat, waarvoor kinderen gewaarschuwd worden als ze van het rechte spoor af dreigen te gaan, het gat waar je geen bodem in ziet. Gelukkig maar dat je kunt zien wat je wilt als je je ogen dicht doet, ook als je valt. Zalig ben je toch als je je aan een nieuw geloof kan overgeven of in de flow van alledag mee kan reizen.

Het knaagt nog steeds aan mij dat ik alleen als ik droom, zie wat ik zou willen zien. Ik zie een boom met zijn wortels naakt in een wilde rivier. Het water stroomt wild als mensen in een winkelstraat in december. Ik zit met mijn rug tegen de boom waarin zich vanzelfsprekend vogels en andere kleine dieren nestelen. Ik heb het beeld niet van mijzelf, maar van de televisie. Het komt uit een programma waarin het leven van de mens in beeld gebracht werd, van foetus tot kind tot volwassene tot oude van dagen. Het beeld waar ik het over heb, kwam van een oude vrouw die vertelde dat ze wilde sterven aan de oever van de rivier waar ze als kind in gezwommen had en heeft zich op mijn netvlies vastgezet. Als ik na een lange dag zwoegen naar huis fiets, kijk ik naar de bomen en kom tot mijzelf. In de lente zie ik het jonge blad en wacht ik gespannen de eerste herfst af waarin zich de zaden massaal verspreiden. In de zomer verbaas ik mij over de volheid van leven, terwijl ik mij in de herfst over de laatste pronk verwonder.
Als alle bomen kaal zijn zie ik hun silhouetten tegen de strakke winterhemel en realiseer ik mij hoe zeer zij in de aarde geworteld zijn en wachten op een nieuw begin. Als wij toch eens bomen waren die eens stil konden blijven staan!
Als ik mijn ogen dicht doe is het net alsof de wereld met zwoegen stopt en de wind gaat liggen. De mensen zijn het shoppen zat en gaan naar huis om zich bij de openhaard te verschansen. De kinderen lachen en ik huil inwendig van geluk omdat ik een van hen mag zijn.
Nu zitten wij bij de haard en in de zomer zit ik in het park tegen een boom terwijl de kinderen spelen. Ik zou mijn kinderen willen leren zien hoe onstuimig de rivier stroomt, maar ook hoe de boom zich te midden van de stroom staande weet te houden. Ik hoop dat zij leren te zien hoe wonderlijk alle dingen zijn en hoop dat zij hun ogen daarvoor niet hoeven te sluiten. Wij zijn onderdeel van een groot mysterie. Op een dag, als je geen pasklare antwoorden meer nodig hebt, zet je je bril af en zal je misschien door de ogen van een oude vrouw kunnen kijken en je geluk beproeven.